Dijkstra II: Nederland wel warmer, niet extremer

Iedereen dank voor de interessante discussie onder het doorgeplaatste opiniestuk van Frans Dijkstra. Frans heeft in zijn laatste commentaar geprobeerd een eerste samenvatting te schrijven. Aangezien de vorige draad erg lang werd plaats ik dat commentaar hier als gastblog. Het is goed mogelijk dat critici van Dijkstra (Arjan, Guido, Jan etc.) het oneens zijn met de samenvatting. Mocht een van de “critici” ook een soort van samenvatting schrijven dan plaats ik die ook als apart gastblog. MC

Gastblog Frans Dijkstra

Ik doe een poging een paar dingen te inventariseren waar we het over eens zijn.

(1) Er is over de periode 1997-2014 geen correlatie tussen de gemiddelde maandtemperatuur en de tijd. Ik noem dat stilstand of stagnatie. Ik weet niet of ik de eerste ben in Nederland die dit signaleert. Als er in deze data een trend van plus of min 0,003 graad per maand zou zitten, dan zou dat nog net niet significant zijn. Dat betekent naar de toekomst toe, dat in 100 jaar een daling of een stijging van bijna 4 graden niet is uitgesloten. Dat is waar, maar wie zou zo’n reeks voor 100 jaar willen extrapoleren? Degenen die zeggen dat de opwarming onverminderd door gaat, kunnen dat niet zeggen op grond van deze data. Deze data zeggen uitsluitend: het kan vriezen of dooien. Zijn we het daarover eens?

Arjan van Beelen
De termijn is te kort en de spreiding is te groot om iets zinvols te kunnen concluderen over de temperatuurtrend. Als je iets schuift met het beginpunt, of een jaar toevoegt of weglaat dan krijg je weer andere resultaten. In een dataset met een grote variabiliteit ten opzichte van de trend kan je nooit aantonen of het nu nog wel of niet opwarmt de laatste jaren, dus dit is een zinloze bezigheid.

 

Guido van der Werf
dat de temperatuur vrij vlak is de laatste jaren daar zijn we het snel over eens. En dat extrapoleren van deze trend zinloos is daar zijn we het ook over eens. Maar ik ben het niet met je “het kan vriezen of dooien” eens. Misschien wel voor de komende jaren maar op een gegeven moment zal de trend door opwarming weer boven de ruis uit moeten komen.

 

Jan van Rongen
Statistisch foute conclusie; door Frans gemotiveerd met een zeer bekende logische fout, namelijk omkering van de (betekenis van de) nul-hypothese.

(2) Over de hoge oktobertemperaturen is mij cherry picking verweten omdat ik het over 23 graden had. Dat was toevallig de temperatuur van 18 oktober j.l. Keulemans zet daar zijn eigen cherry picking tegenover door een grafiek met 20 graden te tekenen. Tijd voor het volledige plaatje:

Volgens mij hebben Keulemans en ik allebei gelijk: warme dagen (meer dan 20 of 21 graden) zijn in de tweede helft van de periode flink toegenomen, maar vanaf 22 graden convergeren de lijnen. Vanaf 23 graden vallen ze vrijwel samen. Ik noem 23 graden in oktober ‘extreem’. Men kan van mening verschillen of een temperatuur die op 1,5% van de oktoberdagen voorkwam zo genoemd mag worden. Het is in ieder geval extremer dan de 3-6% van de oktoberdagen die warmer waren dan 20 graden.

Arjan van Beelen
Ik zie verschillen, maar ik zie niet of ze significant zijn. De eerste waarden bijv. >20 graden in ieder geval wel, dus je kan concluderen dat dat vaker voorkomt. Ik denk niet dat je kan aantonen dat records >23 C in Oktober vaker voorkomen in de 2e periode dan in de 1e periode.

 

Guido van der Werf
Ik heb in het vorige draadje diverse keren kwantitatief laten zien dat in het algemeen het aantal warme dagen is toegenomen, dus ik vind het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd vooral representatief voor het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd. En tja, wat extreem is daar kan je over twisten dus daar heeft iedereen gelijk.

 

Jan van Rongen
Anekdotisch “bewijs” dat kan worden omgevormd tot serieuzere testen waaruit de hoogte en (mate van) significantie van de opwarming voor en na 1957 kan worden afgeleid.

(3) We blijken het er over eens te zijn, dat voor 1950 ook veel tropische dagen zijn voorgekomen, verhoudingsgewijs niet veel minder dan na 1950. Dat kan misschien aan vliegtuigsporen worden toegeschreven: straalvliegtuigen waren er in de jaren 30 en 40 nog niet. Die sporen zouden op hete dagen de zonnestralen getemperd kunnen hebben. Maar misschien hebben ook hier de stromingspatronen invloed. Vliegtuigsporen kunnen niet het enorme gebrek aan tropische dagen in de jaren 50 en 60 verklaren. Een interessant punt voor nader onderzoek!

Arjan van Beelen
Ja, je kan niet aantonen dat het aantal tropische dagen toegenomen is als je deze 2 perioden hanteert. Als je tropische dagen (of warmer) als extreme hitte definieert dan kan je dus niet zeggen dat dit nu vaker voorkomt dan vroeger. Dit is een interessant (en bekend) resultaat, en heeft waarschijnlijk te maken met 1) aerosols (inclusief vliegtuigstrepen, de aerosol concentratie piekte in de jaren 60-70, en kan dus prima het minimum in 50-60er jaren verklaren (ik denk met contributie van stromingspatroon overigens, zie studies van Van Oldenborgh). 2) thermometerhutten en locatie 3) stromingspatroon? 4)bodemvocht? (nummering kan willekeurig zijn). Overigens is de verstedelijking toegenomen, dus aan de hand daarvan verwacht je weer een toename van het (niet daarvoor gecorrigeerde) aantal tropische dagen.

 

Guido van der Werf
Mee eens, er zijn veel factoren die een rol spelen, ik neem aan dat men op het KNMI hier ook wel mee bezig is. Ik ken de literatuur op dit gebied niet.

 

Jan van Rongen
Dit is geen samenvatting van een discussie maar iets nieuws – over vliegtuigsporen. Ik vind dat onzin. Dus oneens.

(4) Over de winters zijn we het ook eens. Natuurlijk waren er voor 1970 meer strenge winters (1912, 1917, 1929, 1933, 1940, 1941, 1942, 1943, 1947, 1956 in de eerste helft van de periode en 1963, 1979, 1985, 1986, 1987, 1996, 1997 in de tweede helft) terwijl tevens de winters van de eerste serie strenger waren en langer duurden dan de meeste van de tweede serie. Met mijn wintergeheugen is op dit punt niets mis, maar die ene extreem zachte winter van 2014 is niet maatgevend, dat wilde ik even gezegd hebben.

Extreem hoge temperaturen in de winter zijn veel meerzeggend dan hoge zomertemperaturen: van de januaridagen boven 13 graden viel er maar 1 in de eerste helft van de periode, tegen 17 in de tweede helft. Het record is zeer recent: 14,5 op 6 januari 2014.
Ik neig naar de conclusie uit deze en andere feiten dat de opwarming in Nederland tot dusver vooral blijkt uit hogere winter- en nachttemperaturen en veel minder in extreme warmte, die het KNMI in zijn scenario’s aankondigt, en waar exotische dieren op af zouden komen. Dat komt waarschijnlijk van het broeikaseffect (minder uitstraling) en van westelijke winden. Kunnen we het hier ook over eens zijn?

Arjan van Beelen
Die ene extreem zachte winter… ik kan me helaas erg veel extreem zachte winters herinneren in de jaren 90 en 2000, dit heb ik ook laten zien aan de hand van de ranking van de gemiddelde wintertemperatuur en de koudeproductie (Hellmann, maar geldt ook voor het vorstgetal van Meteogroup). Die zachte winters zijn overigens geen garantie voor de (nabije) toekomst, zoals ik al eerder schreef.
Nee, hier ben ik het helemaal niet mee eens. De enorme (recente) opwarming in NL blijkt vooral uit hogere lente en zomertemperaturen en minder uit die in de herfst en winter. De maand december is het minste opgewarmd van alle maanden. Zie bijv. http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0226-Temperatuur-mondiaal-en-in-Nederland.html?i=9-54 .
De winter en nachttemperaturen zijn gedurende de periode 1985-2010 met ongeveer dezelfde trend gestegen als wereldwijd, terwijl die overdag in het (zonne)zomer halfjaar bijna 2x zo snel zijn gestegen. Dit heeft o.a. te maken met de brightening, zoals je ook kunt zien in ons (Van Beelen & Van Delden) artikel in Weather.

 

Guido van der Werf
Ook mee eens en ook nog eens goed nieuws tot nu toe voor ons in Nederland lijkt me (behalve voor de schaatsliefhebbers natuurlijk). Maar uiteindelijk zal bij opwarming ook het aantal warme dagen verder toenemen, ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat dit niet zo is. En ik heb wel eens gehoord dat minimumtemperaturen een belangrijkere factor is dan maximumtemperaturen voor het verspreidingsgebied van exotische dieren ☺

 

Jan van Rongen
Ook dit is helemaal geen samenvatting of conclusie maar een nieuwe mening van Frans. Geen cijfermateriaal. Dus oneens.

 

Share

Warm oktoberweer, maar geen opwarming

Chemicus en statisticus Frans Dijkstra publiceerde gisteren in de Volkskrant een opiniestuk naar aanleiding van het warme weekend. De kop in de krant was dezelfde als boven dit blogbericht. Die kop is overigens bedacht door de Volkskrant, niet door Dijkstra, liet hij me weten. Online staat er trouwens een andere kop: Het publieke weergeheugen werkt misleidend.

Op twitter reageerde Stephan Okhuijsen van Sargasso.nl vrij gepikeerd en hij plaatste al snel een kritische beschouwing die als titel had: Liegen met grafieken: geen opwarming in de Volkskrant.

Frans Dijkstra gaf me toestemming om zijn stuk door te plaatsen. Daaronder probeer ik iets weer te geven van de discussie. En hopelijk kan een constructieve discussie tussen Dijkstra, Okhuijsen en andere geïnteresseerden meer duidelijk scheppen over welke “correcte” conclusies nu te trekken zijn.  Lees verder…

Share

KNMI: mild winter caused by deep depressions

Return time in years of the lowest air pressure. The low pressure near Scotland occurs less than once every 100 years.

KNMI today posted a news article in Dutch about the so far very mild and wet winter in The Netherlands and the UK. It’s good to see that they don’t blame global warming for it. Here is a translation of their article:

Mild winter due to deep depressions
The exceptional unstable, very mild and wet weather, which has been persistent throughout the entire winter, is caused by a doggedly persistent pattern in air pressure. Time and again deep depressions travel over the Atlantic Ocean to the British Isles. Remarkable is the very low pressure in the core of depressions over the ocean northwest of Scotland. Based on a statistical analysis by KNMI  the low average daily pressure as observed this winter in this area occurs less than once every one hundred years.
The depressions lead to lots of rain and wind in western and southern Europe. In particular Ireland and England suffer from flooding. Large parts of England have never experienced such a wet January. In addition, coastal areas suffer from high waves.
In our country the mild southwesterlies also reign. There are areas in the southwest where the first frost of the winter still has to occur. Snow has only been observed in the far northeast. This winter is on track to become the mildest in three centuries thanks to the persistent mild weather.
KNMI expects that the rather mild and unstable weather with sometimes lots of rain and wind to continue to persist the coming ten days.

In a news article of the Dutch press agency ANP a spokesman of KNMI says: “We don’t know the exact cause. It has to do with natural variability.”

 

Share

Waarom ik teleurgesteld ben in AR5

Waarom ik teleurgesteld ben in AR5, dat was de titel van mijn presentatie gisteren tijdens een symposium in Nieuwspoort. Ook Bob Carter, Fred Singer (zij vertegenwoordigden het NIPCC-rapport) en Albert Klein Tank (KNMI en coordinating lead author van AR5) waren sprekers.

Ik gebruik weinig tekst in mijn presentaties in de hoop dat de aandacht bij mij als spreker blijft. Dus de pdf van de presentatie is niet zo gemakkelijk te lezen. Ik zal daarom een puntsgewijze samenvatting geven.

Het eerste deel van mijn lezing ging over de stagnatie en in het bijzonder de veelbesproken figuur 1.4 waarmee het IPCC meent aan te tonen dat de waarnemingen binnen de modelrange van verschillende IPCC-rapporten valt. Ik baseer me hier grotendeels op de analyse (en hier) van Steve McIntyre op Climate Audit. In de first draft zat er een fout in grafiek 1.4 (model ranges klopten niet)(slide 5).

In de gelekte en daardoor veelbesproken tweede draft vielen de waarnemingen (slide 7) van de laatste jaren buiten alle model ranges. IPCC voegde echter een nieuwe grijze balk toe (nooit eerder gebruikt waarvan de herkomst onduidelijk is maar die (ad hoc) bedoeld is om een soort extra onzekerheidsmarge aan te geven. Laat je die grijze balk weg (slide 8) dan zie je des te beter dat veel jaren buiten de hele range vallen (in de vroeg jaren komt dit overigens grotendeels door de reactie op Pinatubo in 1991.

Blijkbaar was deze grafiek toch te inconvenient voor het IPCC en dus stond er wederom een nieuwe versie (slide 10) in het definitieve rapport. Volgens McIntyre staat er vrijwel zeker een fout in deze definitieve versie. De modelranges zijn omlaag verplaatst (best te zien bij de SAR range) waardoor de waarnemingen er plots wel weer in vallen. McIntyre denkt dat de fout veroorzaakt is door gebruik van verschillende referentieperioden. Voor de waarnemingen is de periode 1961-1990 als referentie gebruikt, maar voor de modellen is 1990 als startjaar gebruikt. Het laatste woord zal hier nog niet over gezegd zijn. Maar gegeven het belang van ‘de stagnatie’ in het debat van de laatste jaren is het opmerkelijk dat het IPCC zo amateuristisch te werk is gegaan bij het maken van deze grafieken. Merk ook op dat de definitieve grafiek (final draft, 7 juni) nog wel is voorgelegd aan de governments, maar niet meer aan de expert reviewers. De landendelegaties zijn in dat stadium echter vooral bezig met de SPM. Lees verder…

Share

Dutch scientists: let’s abolish the IPCC climate reports

Today there is an interesting article in de Volkskrant, a leftwing quality newspaper in The Netherlands. It refers to the advice of the Dutch government to the IPCC that I reported about earlier this summer. One of my readers translated the article. Here it is:

Dutch scientists: let’s abolish the IPCC climate reports
As far as Dutch climate scientists are concerned, the fifth IPCC report will be the last one in its current format. They conclude that the report, which from next week onwards will be published in several phases, contains little news yet costs lots of time, money and energy, which experts would rather spend on research.
258 scientists from dozens of countries contributed to the new IPCC report, over two thousand pages thick and the result of years of negotiation and reviewing. “And actually it contains not much that was not already present in the previous report”, says paleoclimatologist Appy Sluijs (Utrecht University). “Thus, if that is the case, how useful is such an extensive report anymore? I would rather like to see that we would focus on a limited number of specific questions”.
The Dutch IPCC delegacy recently wrote in an advice that “the speed with which the world changes is accelerating, and IPCC has to adapt to these changes if it is to remain relevant in the future.”

Digital and interactive
The Dutch delegacy is in favor of the reports becoming digital and interactive, for the climate panel to delve into actual questions in society and for the appointment of a ‘policy neutral’ manager as head of the IPCC, rather than a politically chosen one, as is currently the case.
At the Royal Netherlands Meteorological Society (KNMI), climate modeler Prof. Wilco Hazeleger, involved in the reports as expert reviewer, signals that the summary for policy makers is more of a ‘legal’ document than of a scientific one. Amongst others, when considering the rate of warming, IPCC uses concepts such as ‘likely’, ‘very likely’ and ‘extremely likely’. “These give you the impression that we’re dealing with a probability distribution. However, different types of studies are used to get to such judgments. You cannot simply compare or combine them. ”
The IPCC was established in 1988 by the United Nations. In 2007 the panel received the Nobel Peace Prize. Especially after its fourth report IPCC was attacked for being too politically colored and for focusing too much trying to frame climate as a problem. On top of that, it turned out that the report contained several incorrect statements.

Share

KNMI versus Pielke jr. over weersextremen

Gisteren rapporteerde ik over de punten die Pielke jr inbracht in de Amerikaanse hoorzitting over klimaatverandering. Hij stelde kort gezegd dat er geen trends zijn waargenomen in het optreden van orkanen, tornado’s, overstromingen en droogtes. Hij baseerde zijn presentatie grotendeels op het SREX-rapport van het IPCC. Vandaag verschijnt het jaarverslag van het KNMI met daarin een hoofdstuk over hetzelfde SREX-rapport.

Laten we eens kijken wat het KNMI over SREX zegt (en wat niet). Onder het kopje ‘belangrijkste conclusies’ zegt het jaarverslag:

Voor de komende 20 tot 30 jaar is de verwachte toename van weerextremen klein ten opzichte van de natuurlijke variabiliteit. Vanaf 1950 is wel het aantal weerextremen toegenomen, maar hierbij zijn de regionale verschillen groot.

De eerste zin is enigszins relativerend en houdt in dat trends in extremen zeer lastig vast te stellen zijn omdat de natuurlijke variabiliteit groot is. De tweede zin is, laten we zeggen, een ‘interessante’ keuze. Hoe zal een gemiddelde lezer (niet perse goed ingevoerd in klimaatwetenschap) deze zin interpreteren zonder verdere uitleg? Zal hij/zij daaronder extremen als orkanen, tornado’s, overstromingen, hittegolven en droogtes scharen? Hoogstwaarschijnlijk wel.

Ik heb in het SREX-rapport gekeken waarop deze zin in het KNMI-jaarverslag vermoedelijk gebaseerd is. Ik vond dit in de Summary:

There is evidence from observations gathered since 1950 of change in some extremes.

Merk de verschillen op. In SREX staat dat er ‘verandering’ is in ‘sommige extremen’. Bij het KNMI is dat geworden: ‘het aantal weerextremen is toegenomen. Dus het woordje ‘sommige’ is weggelaten en ‘verandering’ (dat zowel meer als minder kan betekenen) is veranderd in ‘toegenomen’. Nu worden we wel benieuwd van welke extremen het aantal dan is toegenomen, maar helaas houdt de uitleg in het jaarverslag hier op. In de Summary van SREX volgt wel een hele opsomming voor de verschillende extremen. Bovenaan het lijstje prijkt de toename in warme dagen en nachten en de afname in koude dagen en koude nachten. Pielke noemt in zijn getuigenis deze ‘extremen’ niet eens, in mijn ogen terecht, want het is niet iets wat je echt beschouwt als een weers- of een klimaatextreem, het is voornamelijk een andere manier van zeggen dat het warmer is geworden.

Voorts rept SREX over een toename in extreme neerslag met de kanttekening dat die toename is waargenomen in sommige regio’s. SREX voegt daaraan toe:

It is likely that more of these regions have experienced increases than decreases, although there are strong regional and subregional variations in these trends.

Ik heb al eerder op deze site verwezen naar een analyse van Koutsoyiannis, helaas nog niet gepubliceerd, wel gepresenteerd op de EGU in Wenen, die laat zien dat de beste data die we hebben mondiaal gezien geen toename in extreme neerslag laten zien en zelfs eerder een afname dan een toename (als je alle tijdreeksen op een hoop gooit).

Waargenomen veranderingen
Pielke bespreekt in zijn getuigenis achtereenvolgens trends in schade door extreem weer (hij laat zien dat de schade gecorrigeerd voor GDP mondiaal 25% is afgenomen sinds 1990, zijn figuur 1), orkanen (geen toename in frequentie, intensiteit en genormaliseerde schade in de VS sinds 1900 en mondiaal geen toename in aantal orkanen sinds 1970), overstromingen (geen trend in de VS sinds 1950, genormaliseerde schade in de VS met 75% afgenomen sinds 1940, mondiaal ook geen aanwijzingen voor trends), tornado’s (geen toename in frequentie, intensiteit en genormaliseerde schade sinds 1950 in de VS, eerder enige aanwijzingen voor een afname), droogte (afname in de VS, zowel in voorkomen, duur als de grootte van de gebieden).

Niets van dit alles bespreekt het KNMI-jaarverslag. Wel besteedt het nog een hele alinea aan verwachtingen voor de toekomst:

Trend in klimaatextremen
Het is zeer waarschijnlijk dat de stijgende lijn van maxima- en minimatemperaturen deze eeuw zal doorzetten. Hittegolven kunnen vaker voorkomen en extremer worden. Dat geldt ook voor zowel zware neerslag als droogte. Wel zijn er grote verschillen tussen de regio’s. Zo laten de Verenigde Staten een toename zien van zware neerslag terwijl de kansen in West-Afrika, West-Azië en Australië hierop afnemen. De kans op toename van het aantal en de ernst van zware tropische cyclonen is klein. Wel is het waarschijnlijk dat extreem hoge waterstanden op zee vaker voorkomen. De trends in SREX gelden niet voor afzonderlijke landen omdat er te weinig metingen beschikbaar zijn en de modellen te grofmazig. Het rapport verdeelt de aarde in 23 regio’s. Nederland ligt op de grens van de regio’s Noord-en Centraal-Europa. Het is zeer waarschijnlijk dat dit gebied sterker opwarmt deze eeuw en de kans op hittegolven en droogte groter wordt. In de winter is er grotere kans op meer zware neerslag.

Hoewel het hier nergens staat is het merendeel van dit soort ‘verwachtingen’ gebaseerd op simulaties met klimaatmodellen die nog grote moeite hebben om al opgetreden veranderingen in de twintigste eeuw te simuleren.

Pielke zegt over de toekomst:

* A considerable body of research projects that various extremes may become more frequent and/or intense in the future as a direct consequence of the human emission of carbon dioxide.5
* Our research, and that of others, suggests that assuming that these projections are accurate, it will be many decades, perhaps longer, before the signal of human-caused climate change can be detected in the statistics of hurricanes (and to the extent that statistical properties are similar, in floods, tornadoes, drought).6

Het eerste bullet point zit op dezelfde lijn als de alinea van het KNMI. Het tweede punt zegt op een iets andere manier dat een toename in extremen niet snel boven de natuurlijke variabiliteit zal uitstijgen, iets wat het KNMI-jaarverslag ook vermeldde.

Samenvattend
Het KNMI-jaarverslag laat na ons te vertellen dat er feitelijk geen noemenswaardige trends zijn in de meer tot de verbeelding sprekende extremen zoals orkanen, tornado’s, overstromingen en droogtes en dat ook de schade door dergelijke extremen de afgelopen vijftig in veel gevallen eerder is afgenomen dan toegenomen. Dat staat allemaal – vaak wel in vreselijk wollige taal – in het SREX-rapport. Het KNMI kiest echter voor het vage en enigszins alarmerende ‘Vanaf 1950 is wel het aantal weerextremen toegenomen’, een bewering die niet letterlijk staat in SREX en die door het KNMI verder niet onderbouwd wordt.

Pielke twitterde dat hij zich tijdens zijn getuigenis wil opstellen als een ‘science arbiter’, een term die komt uit zijn boek The Honest Broker. Hij is daar veel beter in geslaagd dan het KNMI in hun jaarverslag. De koers die het KNMI kiest doet denken aan de werkwijze van Werkgroep II van het IPCC in het vierde rapport, u weet wel dat rapport met die overdrijving over het smelten van Himalaya-gletsjers in 2035.

Ervaren IPCC’er Arthur Petersen van het PBL zei daar afgelopen weekend in Trouw ($) het volgende over:

Toch ging er iets mis. Er slopen fouten in die rapporten. Daarover ontstond grote ophef in 2009.
“Dat klopt. Toen het PBL in 2010 op verzoek van het IPCC de werkwijze van het IPCC onderzochten, kwamen we met een vervelende boodschap. De oorzaak van de fouten ligt dieper. Het heeft met transparantie te maken, en met het benadrukken van risico’s.”
Waarschuwden ze te hard voor mogelijke gevolgen van klimaatverandering?
“Het ligt subtieler. Diverse werkgroepen stellen die rapporten samen, en die kijken anders tegen de risico’s aan. Werkgroep I (WG I) behandelt de wetenschappelijke basis: wat weten we over klimaatverandering? Die werkgroep vreest het verwijt ten onrechte te waarschuwen. WG II gaat over de mogelijke gevolgen, en zij zijn juist bang voor kritiek dat ze onvoldoende waarschuwen.” (…)
Werkgroep II helde juist de andere kant op.
“Ja, toen wij hun rapporten bekeken, bleek dat zij impliciet van de risico’s uitgingen. Dat ze bijvoorbeeld alleen de negatieve gevolgen van klimaatverandering benadrukten. Terwijl de opwarming van de aarde in grote delen van Rusland gunstig kan zijn voor bos- en landbouw. Als je weet wie eventueel baat heeft bij klimaatverandering, worden onderhandelingen over klimaatbeleid overzichtelijker. Maar ook: toen wij de fouten in de rapporten van WG II bekeken, bleken ze allemaal het risico te overschatten. De drijfveer om geen enkel risico te missen, zit bij hen heel diep.

Diezelfde houding bespeur ik ook bij de selectie die KNMI hier maakte voor het jaarverslag: goede nieuws weglaten en het benadrukken van de risico’s.

 

Share

Dutch advice to IPCC: limiting the scope to human induced climate change is undesirable

Goverments around the world have been asked by IPCC to think about the future of the IPCC. The Netherlands now sent their submission to the IPCC and made it available on the website of KNMI.

I would say Holland is fairly critical about how IPCC is operating right now. This part struck me as most interesting:

The IPCC needs to adjust its principles. We believe that limiting the scope of the IPCC to human induced climate change is undesirable, especially because natural climate change is a crucial part of the total understanding of the climate system, including human-induced climate change. The Netherlands is also of the opinion that the word ‘comprehensive’ may have to be deleted, because producing comprehensive assessments becomes virtually impossible with the ever expanding body of knowledge and IPCC may be more relevant by producing more special reports on topics that are new and controversial.

Lees verder…

Share

A Late 20th Century European Climate Shift: Fingerprint of Regional Brightening?

The shift in the Central Netherlands Temperature in 1987

My first peer reviewed paper is out. The full title is: A Late 20th Century European Climate Shift: Fingerprint of Regional Brightening? First author is Jos de Laat of KNMI. The idea for the paper was mine, but Jos certainly did most of the work. The paper is freely available on the website of the journal Atmospheric and Climate Sciences.

For some years I noticed just by visual inspection that in the eighties there seems to be a jump  in the Dutch temperature time series. I asked Jos to have a look at it. He spent some time selecting the ‘best’ method to determine whether this shift is ‘real’. This so called change-point analysis procedure concluded that indeed there is a very significant step change of about 1 degree Celsius in the Central Netherlands Temperature time series in 1987. Lees verder…

Share

Sessie met Kamp opgepikt door Trouw

Trouw komt vandaag met maar liefst twee stukken (een zelfs op de voorpagina! en een op pag 12/13) over de klimaatsessie die Economische Zaken vorige week organiseerde voor minister Kamp. De stukken putten met name uit de notitie die PBL/KNMI schreef ter voorbereiding op de sessie. Die stukken plus de presentaties van Bart Strengers en Wilco Hazeleger staan nu ook online.

Mijn naam is weliswaar genoemd in Trouw maar uit mijn stuk is niet of nauwelijks geciteerd. Trouw zet stukken tegenwoordig niet meer gratis online en ik zal daarom de stukken zeker vandaag nog niet integraal online zetten. Het stuk op de voorpagina begint als volgt:

Kamp wil feiten over het klimaat

Nieuwe minister hoopt zin en onzin te scheiden zodat hij weet waarop hij beleid moet baseren

Minister Henk Kamp (economische zaken) wil af van de controverse tussen klimaatsceptici en wetenschappers over de opwarming van de aarde. In een vertrouwelijke sessie met deskundigen heeft hij getracht de zin en de onzin in het klimaatdebat te scheiden, als basis voor nieuw beleid.

Kamp is sinds kort verantwoordelijk voor het klimaatbeleid. Wetenschappers zijn het over het algemeen eens over de ernst van de opwarming van de aarde, maar in het maatschappelijk debat worden de uitkomsten van onderzoek betwist. Kamp wil weten welke argumenten in de discussie op feiten zijn gebaseerd, en welke op fictie. Hij vroeg vertegenwoordigers van het KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om presentaties te houden. Ook klimaatjournalist Marcel Crok, die vraagtekens zet bij de rol van CO2 bij de opwarming van de aarde, mocht zijn visie geven. Alle deelnemers hebben geheimhouding moeten beloven over het gesprek, maar publiceerden wel de door hen geleverde stukken.

De rest van het stuk op de voorpagina put uitsluitend uit de Notitie van het PBL/KNMI. In het tweede langere stuk wordt wel heel summier iets over sceptische argumenten gezegd. Bijvoorbeeld: Lees verder…

Share

Presentatie bij Economische Zaken

Afgelopen woensdag organiseerde het ministerie van EZ een besloten sessie over het klimaatprobleem. Doel van de bijeenkomst was minister Henk Kamp bij te praten over de stand van de klimaatwetenschap en het klimaatdebat. Er waren twee afgevaardigden van het PBL, een van het KNMI en ikzelf. Voor de bijeenkomst gold de zogenaamde Chatham House rule, wat betekent dat ik niets kan melden over wat er ter plekke besproken is. Wel hebben zowel PBL/KNMI als ikzelf van tevoren informatie aangeleverd die wel openbaar is. Hieronder volgt mijn ingebrachte stuk integraal (of hier als pdf). De slides van mijn presentatie zijn hier te downloaden. KNMI/PBL is van plan hun stuk ook online te zetten op www.klimaatportaal.nl. Zodra dat gebeurt zal ik op hun stuk een reactie geven. [Update: hun stukken, zonder expliciete verwijzing naar de EZ-sessie, staan nu online: http://www.pbl.nl/nieuws/nieuwsberichten/2013/klimaatverandering-de-feiten-en-het-debat]

 

Informatie voor sessie Klimaatprobleem met minister Kamp
Woensdag 9 januari 2013, Ministerie van EZ

Overeenstemming
Over een aantal zaken bestaat overeenstemming. De CO2-concentratie stijgt door toedoen van de mens en zal blijven stijgen in de 21e eeuw. De CO2-concentratie is in honderdduizenden jaren niet zo hoog geweest. Verder terug in het verleden is de CO2-concentratie wel vele malen hoger geweest dan nu.
CO2 is een broeikasgas en heeft als zodanig de potentie om de aarde op te warmen. Het is nu warmer dan anderhalve eeuw geleden. Een deel van de opwarming is dus waarschijnlijk het gevolg van de toegenomen concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer. Mainstream en sceptische onderzoekers gaan ervan uit dat een verdubbeling van de CO2-concentratie sec (we zitten nu op een 40% toename sinds de start van de industriële revolutie) een theoretische opwarming zal geven van ongeveer 1 graad Celsius. Tot zover is er geen onenigheid. Het punt is alleen dat alle hierboven beschreven punten op zichzelf nog geen reden zijn voor grote zorg. Lees verder…

Share

Agenda

Loading...

Donate to support investigative journalism on global warming

My blog list