KNMI versus Pielke jr. over weersextremen

Gisteren rapporteerde ik over de punten die Pielke jr inbracht in de Amerikaanse hoorzitting over klimaatverandering. Hij stelde kort gezegd dat er geen trends zijn waargenomen in het optreden van orkanen, tornado’s, overstromingen en droogtes. Hij baseerde zijn presentatie grotendeels op het SREX-rapport van het IPCC. Vandaag verschijnt het jaarverslag van het KNMI met daarin een hoofdstuk over hetzelfde SREX-rapport.

Laten we eens kijken wat het KNMI over SREX zegt (en wat niet). Onder het kopje ‘belangrijkste conclusies’ zegt het jaarverslag:

Voor de komende 20 tot 30 jaar is de verwachte toename van weerextremen klein ten opzichte van de natuurlijke variabiliteit. Vanaf 1950 is wel het aantal weerextremen toegenomen, maar hierbij zijn de regionale verschillen groot.

De eerste zin is enigszins relativerend en houdt in dat trends in extremen zeer lastig vast te stellen zijn omdat de natuurlijke variabiliteit groot is. De tweede zin is, laten we zeggen, een ‘interessante’ keuze. Hoe zal een gemiddelde lezer (niet perse goed ingevoerd in klimaatwetenschap) deze zin interpreteren zonder verdere uitleg? Zal hij/zij daaronder extremen als orkanen, tornado’s, overstromingen, hittegolven en droogtes scharen? Hoogstwaarschijnlijk wel.

Ik heb in het SREX-rapport gekeken waarop deze zin in het KNMI-jaarverslag vermoedelijk gebaseerd is. Ik vond dit in de Summary:

There is evidence from observations gathered since 1950 of change in some extremes.

Merk de verschillen op. In SREX staat dat er ‘verandering’ is in ‘sommige extremen’. Bij het KNMI is dat geworden: ‘het aantal weerextremen is toegenomen. Dus het woordje ‘sommige’ is weggelaten en ‘verandering’ (dat zowel meer als minder kan betekenen) is veranderd in ‘toegenomen’. Nu worden we wel benieuwd van welke extremen het aantal dan is toegenomen, maar helaas houdt de uitleg in het jaarverslag hier op. In de Summary van SREX volgt wel een hele opsomming voor de verschillende extremen. Bovenaan het lijstje prijkt de toename in warme dagen en nachten en de afname in koude dagen en koude nachten. Pielke noemt in zijn getuigenis deze ‘extremen’ niet eens, in mijn ogen terecht, want het is niet iets wat je echt beschouwt als een weers- of een klimaatextreem, het is voornamelijk een andere manier van zeggen dat het warmer is geworden.

Voorts rept SREX over een toename in extreme neerslag met de kanttekening dat die toename is waargenomen in sommige regio’s. SREX voegt daaraan toe:

It is likely that more of these regions have experienced increases than decreases, although there are strong regional and subregional variations in these trends.

Ik heb al eerder op deze site verwezen naar een analyse van Koutsoyiannis, helaas nog niet gepubliceerd, wel gepresenteerd op de EGU in Wenen, die laat zien dat de beste data die we hebben mondiaal gezien geen toename in extreme neerslag laten zien en zelfs eerder een afname dan een toename (als je alle tijdreeksen op een hoop gooit).

Waargenomen veranderingen
Pielke bespreekt in zijn getuigenis achtereenvolgens trends in schade door extreem weer (hij laat zien dat de schade gecorrigeerd voor GDP mondiaal 25% is afgenomen sinds 1990, zijn figuur 1), orkanen (geen toename in frequentie, intensiteit en genormaliseerde schade in de VS sinds 1900 en mondiaal geen toename in aantal orkanen sinds 1970), overstromingen (geen trend in de VS sinds 1950, genormaliseerde schade in de VS met 75% afgenomen sinds 1940, mondiaal ook geen aanwijzingen voor trends), tornado’s (geen toename in frequentie, intensiteit en genormaliseerde schade sinds 1950 in de VS, eerder enige aanwijzingen voor een afname), droogte (afname in de VS, zowel in voorkomen, duur als de grootte van de gebieden).

Niets van dit alles bespreekt het KNMI-jaarverslag. Wel besteedt het nog een hele alinea aan verwachtingen voor de toekomst:

Trend in klimaatextremen
Het is zeer waarschijnlijk dat de stijgende lijn van maxima- en minimatemperaturen deze eeuw zal doorzetten. Hittegolven kunnen vaker voorkomen en extremer worden. Dat geldt ook voor zowel zware neerslag als droogte. Wel zijn er grote verschillen tussen de regio’s. Zo laten de Verenigde Staten een toename zien van zware neerslag terwijl de kansen in West-Afrika, West-Azië en Australië hierop afnemen. De kans op toename van het aantal en de ernst van zware tropische cyclonen is klein. Wel is het waarschijnlijk dat extreem hoge waterstanden op zee vaker voorkomen. De trends in SREX gelden niet voor afzonderlijke landen omdat er te weinig metingen beschikbaar zijn en de modellen te grofmazig. Het rapport verdeelt de aarde in 23 regio’s. Nederland ligt op de grens van de regio’s Noord-en Centraal-Europa. Het is zeer waarschijnlijk dat dit gebied sterker opwarmt deze eeuw en de kans op hittegolven en droogte groter wordt. In de winter is er grotere kans op meer zware neerslag.

Hoewel het hier nergens staat is het merendeel van dit soort ‘verwachtingen’ gebaseerd op simulaties met klimaatmodellen die nog grote moeite hebben om al opgetreden veranderingen in de twintigste eeuw te simuleren.

Pielke zegt over de toekomst:

* A considerable body of research projects that various extremes may become more frequent and/or intense in the future as a direct consequence of the human emission of carbon dioxide.5
* Our research, and that of others, suggests that assuming that these projections are accurate, it will be many decades, perhaps longer, before the signal of human-caused climate change can be detected in the statistics of hurricanes (and to the extent that statistical properties are similar, in floods, tornadoes, drought).6

Het eerste bullet point zit op dezelfde lijn als de alinea van het KNMI. Het tweede punt zegt op een iets andere manier dat een toename in extremen niet snel boven de natuurlijke variabiliteit zal uitstijgen, iets wat het KNMI-jaarverslag ook vermeldde.

Samenvattend
Het KNMI-jaarverslag laat na ons te vertellen dat er feitelijk geen noemenswaardige trends zijn in de meer tot de verbeelding sprekende extremen zoals orkanen, tornado’s, overstromingen en droogtes en dat ook de schade door dergelijke extremen de afgelopen vijftig in veel gevallen eerder is afgenomen dan toegenomen. Dat staat allemaal – vaak wel in vreselijk wollige taal – in het SREX-rapport. Het KNMI kiest echter voor het vage en enigszins alarmerende ‘Vanaf 1950 is wel het aantal weerextremen toegenomen’, een bewering die niet letterlijk staat in SREX en die door het KNMI verder niet onderbouwd wordt.

Pielke twitterde dat hij zich tijdens zijn getuigenis wil opstellen als een ‘science arbiter’, een term die komt uit zijn boek The Honest Broker. Hij is daar veel beter in geslaagd dan het KNMI in hun jaarverslag. De koers die het KNMI kiest doet denken aan de werkwijze van Werkgroep II van het IPCC in het vierde rapport, u weet wel dat rapport met die overdrijving over het smelten van Himalaya-gletsjers in 2035.

Ervaren IPCC’er Arthur Petersen van het PBL zei daar afgelopen weekend in Trouw ($) het volgende over:

Toch ging er iets mis. Er slopen fouten in die rapporten. Daarover ontstond grote ophef in 2009.
“Dat klopt. Toen het PBL in 2010 op verzoek van het IPCC de werkwijze van het IPCC onderzochten, kwamen we met een vervelende boodschap. De oorzaak van de fouten ligt dieper. Het heeft met transparantie te maken, en met het benadrukken van risico’s.”
Waarschuwden ze te hard voor mogelijke gevolgen van klimaatverandering?
“Het ligt subtieler. Diverse werkgroepen stellen die rapporten samen, en die kijken anders tegen de risico’s aan. Werkgroep I (WG I) behandelt de wetenschappelijke basis: wat weten we over klimaatverandering? Die werkgroep vreest het verwijt ten onrechte te waarschuwen. WG II gaat over de mogelijke gevolgen, en zij zijn juist bang voor kritiek dat ze onvoldoende waarschuwen.” (…)
Werkgroep II helde juist de andere kant op.
“Ja, toen wij hun rapporten bekeken, bleek dat zij impliciet van de risico’s uitgingen. Dat ze bijvoorbeeld alleen de negatieve gevolgen van klimaatverandering benadrukten. Terwijl de opwarming van de aarde in grote delen van Rusland gunstig kan zijn voor bos- en landbouw. Als je weet wie eventueel baat heeft bij klimaatverandering, worden onderhandelingen over klimaatbeleid overzichtelijker. Maar ook: toen wij de fouten in de rapporten van WG II bekeken, bleken ze allemaal het risico te overschatten. De drijfveer om geen enkel risico te missen, zit bij hen heel diep.

Diezelfde houding bespeur ik ook bij de selectie die KNMI hier maakte voor het jaarverslag: goede nieuws weglaten en het benadrukken van de risico’s.

 

Share

Klimaatvoorspellingen over weersextremen zijn enorm onbetrouwbaar

De kop boven dit stuk zal de lezer mogelijk niet verbazen. Volgers van deze blog weten dat klimaatmodellen de grootst mogelijke moeite hebben met het goed simuleren van extremen. Verrassend is echter de bron van deze conclusie, een NWO-artikel van deze week over een onderzoeksproject dat de kloof tussen wetenschappers en belanghebbenden poogt te verkleinen. Arthur Petersen van het PBL leidt dit onderzoeksproject met de lange titel ‘Bridging the gap between stakeholders and climate modellers: demand-driven adaptation assessment for uncertain changes in weather extremes’.

Mijn oog werd extra door het stuk getrokken omdat ik binnenkort in Zwolle bij Trendbureau Overijssel deelneem aan een minicongres over regionaal klimaatbeleid (ik zal binnenkort linken naar het programma), waar naast mijzelf ook Arthur Petersen en Pier Vellinga zullen spreken. Ik neem aan dat Petersen daar meer zal vertellen over dit onderzoeksproject. Lees verder…

Share

Agenda

Loading...

Donate to support investigative journalism on global warming

My blog list