Meteoriet, kikker, koorts en kanker

Vraag: Wat hebben meteorieten, kikkers, koorts en kanker met elkaar gemeen?
Antwoord: Ze worden alle vier wel gebruikt als metafoor om de urgentie van het klimaatprobleem aan te duiden.

Marcel van Dam trapt vanavond de uitzending van De Achterkant van het Gelijk over klimaatverandering af met de volgende vergelijking: Stel dat wetenschappers erachter komen dat een grote meteoriet over twee jaar waarschijnlijk gaat inslaan op aarde. 95% van de wetenschappers is het erover eens dat de meteoriet de aarde zal raken, 5% denkt echter dat ‘ie rakelings langs de aarde zal scheren. De vraag aan de tafelgasten: lukt het de wereldleiders om snel overeenstemming te bereiken over maatregelen?

Als ik me goed herinner (ik was vorige week bij de opnamen, maar het geluid was niet altijd even duidelijk) waren de antwoorden niet uitgesproken ja of nee. Mijn antwoord zou zijn geweest: Ja!

Dit scenario en de urgente risico’s die eraan verbonden zijn staan echter in geen verhouding tot de mogelijke dreiging die er van klimaatverandering uitgaat. Die verandering is veel langzamer (een sluipmoordenaar? Nog een leuke metafoor) en wordt daardoor door velen niet als urgent gevoeld, iets wat Ed Nijpels (de man die het energie-akkoord moet uitvoeren) in de uitzending een aantal maal benadrukte. En Jeroen van der Veer (ex-topman Shell) bracht de metafoor in van de kikker die onmiddellijk uit water van 100 graden zal springen, maar rustig blijft zitten als het water geleidelijk opwarmt (een metafoor die wel vrij goed weergeeft hoe de wereld reageert op de opwarming van de aarde):

Hoe urgent is klimaatverandering?
Sommigen mensen beschouwen de hogere IPCC-scenario’s (vier graden opwarming deze eeuw) uiteraard als urgent. Ikzelf zou dat ook doen als ik de 4 graden in 2100 serieus nam. Drie graden in een eeuw is fors en zal zeker onvoorziene gevolgen hebben.

Anderen, zoals ik zelf, zien echter nog te weinig bewijs voor een dramatische opwarming in de komende eeuw en gaan uit van milde opwarming waaraan de mensheid en ook de natuur zich vrij makkelijk zal kunnen aanpassen. De opwarming sinds 1850 is een milde 0,8 graden en een versnelling daarvan is in geen velden of wegen te zien. Zoals bekend is er de afgelopen 15-20 jaar een vertraging. De troposfeer is met uitzondering van een sprong in 1976 nauwelijks opgewarmd.

Hoe dan ook, ik vond de gekozen metafoor een slecht begin om de ethische kant van het klimaatdebat te belichten (=doel van het programma).

Ik zelf gebruik de meteoriet wel eens als tegenvoorbeeld voor diegenen die zich erg op de worst case scenario’s voor klimaat baseren. We hebben de meeste meteorieten die in de buurt van de aarde kunnen komen namelijk goed in kaart gebracht en er is weinig reden voor alarm. Kleinere brokstukken van 50 tot 100 meter grootte kunnen we echter minder goed zien en het is mogelijk dat zo’n brokstuk de aarde zou raken. Valt zo’n brokstuk op Parijs of New York of in de oceaan, dan is de ramp niet te overzien. De vraag is nu: hoeveel zijn we bereid als wereldgemeenschap om dit risico verder in kaart te brengen en hoeveel geld zijn we bereid te steken in het detecteren en eventueel onschadelijk maken (als dat mogelijk is) van dergelijke kleiner meteorieten?

Kanker of koorts?
Een derde metafoor die geregeld gebruikt wordt is dat de aarde koorts heeft of kanker. De dit jaar overleden Wubbo Ockels gebruikte de metafoor in 2013 in zijn Springtij-lezing. Ik citeer een stukje:

Het derde perspectief is wat lastiger en ik hoop dat ik daar goed uitkom, want het is een beetje emotioneel. En dat is namelijk dat ik denk dat de aarde en wat er aan de hand is, het best vergeleken kan worden met kanker. De aarde heeft kanker. Als je de fundamentele eigenschappen van kanker neemt, dan zie je dat dat nu gebeurt. Kanker is een gewone cel van je eigen lichaam. Mensen zijn gewone mensen. Maar op een of andere manier gaat die kanker groeien op een manier, dat hij een truc heeft gevonden om niet dood te gaan terwijl hij eigenlijk dood hoort te gaan.

Op zichzelf een mooie vergelijking. Je kunt immers best stellen dat de mens als soort is gaan woekeren en andere soorten is gaan overwoekeren.

Weer anderen zeggen dat de aarde koorts heeft. Jan Paul van Soest publiceerde een boek met die titel en ook internationaal wordt de vergelijking veel gebruikt. Het voordeel van koorts is dat je meteen een associatie met opwarming hebt. Het nadeel van koorts als vergelijking is mensen – veel meer dan de aarde als geheel – binnen een nauwe bandbreedte moeten blijven rond 37 graden Celsius. Zowel te koud als te warm is ons snel fataal. De aarde heeft al heel wat extreem warme en extreem koude periodes doorstaan en bestaat nog steeds.

Wel zou een interessante vraag kunnen zijn hoeveel verhoging vindt je dat de aarde heeft in termen van koorts? Ik zou dan kunnen zeggen: 37,8. Lichte verhoging dus, maar mijn kinderen mochten ermee naar de crèche. Anderen vinden mogelijk dat het nu al een 39 of 40 graden koorts is.

Dat geeft dan vervolgens wel een opening naar wat volgens mij de meest relevante vraag van de uitzending had moeten zijn (maar het dus niet was). Namelijk, wat is op dit moment de gewenste behandeling voor de patiënt: gewoon uitzieken (laissez faire) of een chemokuur (zo snel mogelijk decarbonisatie van de economie)? Merk op dat sommige aanwezigen, zoals Marjan Minnesma, het ongetwijfeld met deze typering al niet eens is. Volgens haar kunnen we tegen geringe kosten in 2030 draaien op 100% duurzame energie.

Andere relevante vragen: hoeveel ben je bereid te betalen voor die “behandeling”? En moet die behandeling meteen beginnen of kijken we het eerst nog even aan?

Kortom, zoals bijna altijd bij dit soort complexe debatten, veel gemiste kansen. Maar toch een uitzending die je zeker moet gaan kijken, al is het maar vanwege de vele interessante gasten die aan tafel zaten: Deltacommissaris Wim Kuiken, Marjan Minnesma, Appy Sluijs (ja, alweer hij), Jean-Pascal van Ypersele, Herman Philipse, Jeroen van der Veer, Lucia van Geuns en Ed Nijpels.

Kijken dus, zo meteen om 20:25 uur op NPO2.

 

 

 

 

Share

Dijkstra II: Nederland wel warmer, niet extremer

Iedereen dank voor de interessante discussie onder het doorgeplaatste opiniestuk van Frans Dijkstra. Frans heeft in zijn laatste commentaar geprobeerd een eerste samenvatting te schrijven. Aangezien de vorige draad erg lang werd plaats ik dat commentaar hier als gastblog. Het is goed mogelijk dat critici van Dijkstra (Arjan, Guido, Jan etc.) het oneens zijn met de samenvatting. Mocht een van de “critici” ook een soort van samenvatting schrijven dan plaats ik die ook als apart gastblog. MC

Gastblog Frans Dijkstra

Ik doe een poging een paar dingen te inventariseren waar we het over eens zijn.

(1) Er is over de periode 1997-2014 geen correlatie tussen de gemiddelde maandtemperatuur en de tijd. Ik noem dat stilstand of stagnatie. Ik weet niet of ik de eerste ben in Nederland die dit signaleert. Als er in deze data een trend van plus of min 0,003 graad per maand zou zitten, dan zou dat nog net niet significant zijn. Dat betekent naar de toekomst toe, dat in 100 jaar een daling of een stijging van bijna 4 graden niet is uitgesloten. Dat is waar, maar wie zou zo’n reeks voor 100 jaar willen extrapoleren? Degenen die zeggen dat de opwarming onverminderd door gaat, kunnen dat niet zeggen op grond van deze data. Deze data zeggen uitsluitend: het kan vriezen of dooien. Zijn we het daarover eens?

Arjan van Beelen
De termijn is te kort en de spreiding is te groot om iets zinvols te kunnen concluderen over de temperatuurtrend. Als je iets schuift met het beginpunt, of een jaar toevoegt of weglaat dan krijg je weer andere resultaten. In een dataset met een grote variabiliteit ten opzichte van de trend kan je nooit aantonen of het nu nog wel of niet opwarmt de laatste jaren, dus dit is een zinloze bezigheid.

 

Guido van der Werf
dat de temperatuur vrij vlak is de laatste jaren daar zijn we het snel over eens. En dat extrapoleren van deze trend zinloos is daar zijn we het ook over eens. Maar ik ben het niet met je “het kan vriezen of dooien” eens. Misschien wel voor de komende jaren maar op een gegeven moment zal de trend door opwarming weer boven de ruis uit moeten komen.

 

Jan van Rongen
Statistisch foute conclusie; door Frans gemotiveerd met een zeer bekende logische fout, namelijk omkering van de (betekenis van de) nul-hypothese.

(2) Over de hoge oktobertemperaturen is mij cherry picking verweten omdat ik het over 23 graden had. Dat was toevallig de temperatuur van 18 oktober j.l. Keulemans zet daar zijn eigen cherry picking tegenover door een grafiek met 20 graden te tekenen. Tijd voor het volledige plaatje:

Volgens mij hebben Keulemans en ik allebei gelijk: warme dagen (meer dan 20 of 21 graden) zijn in de tweede helft van de periode flink toegenomen, maar vanaf 22 graden convergeren de lijnen. Vanaf 23 graden vallen ze vrijwel samen. Ik noem 23 graden in oktober ‘extreem’. Men kan van mening verschillen of een temperatuur die op 1,5% van de oktoberdagen voorkwam zo genoemd mag worden. Het is in ieder geval extremer dan de 3-6% van de oktoberdagen die warmer waren dan 20 graden.

Arjan van Beelen
Ik zie verschillen, maar ik zie niet of ze significant zijn. De eerste waarden bijv. >20 graden in ieder geval wel, dus je kan concluderen dat dat vaker voorkomt. Ik denk niet dat je kan aantonen dat records >23 C in Oktober vaker voorkomen in de 2e periode dan in de 1e periode.

 

Guido van der Werf
Ik heb in het vorige draadje diverse keren kwantitatief laten zien dat in het algemeen het aantal warme dagen is toegenomen, dus ik vind het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd vooral representatief voor het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd. En tja, wat extreem is daar kan je over twisten dus daar heeft iedereen gelijk.

 

Jan van Rongen
Anekdotisch “bewijs” dat kan worden omgevormd tot serieuzere testen waaruit de hoogte en (mate van) significantie van de opwarming voor en na 1957 kan worden afgeleid.

(3) We blijken het er over eens te zijn, dat voor 1950 ook veel tropische dagen zijn voorgekomen, verhoudingsgewijs niet veel minder dan na 1950. Dat kan misschien aan vliegtuigsporen worden toegeschreven: straalvliegtuigen waren er in de jaren 30 en 40 nog niet. Die sporen zouden op hete dagen de zonnestralen getemperd kunnen hebben. Maar misschien hebben ook hier de stromingspatronen invloed. Vliegtuigsporen kunnen niet het enorme gebrek aan tropische dagen in de jaren 50 en 60 verklaren. Een interessant punt voor nader onderzoek!

Arjan van Beelen
Ja, je kan niet aantonen dat het aantal tropische dagen toegenomen is als je deze 2 perioden hanteert. Als je tropische dagen (of warmer) als extreme hitte definieert dan kan je dus niet zeggen dat dit nu vaker voorkomt dan vroeger. Dit is een interessant (en bekend) resultaat, en heeft waarschijnlijk te maken met 1) aerosols (inclusief vliegtuigstrepen, de aerosol concentratie piekte in de jaren 60-70, en kan dus prima het minimum in 50-60er jaren verklaren (ik denk met contributie van stromingspatroon overigens, zie studies van Van Oldenborgh). 2) thermometerhutten en locatie 3) stromingspatroon? 4)bodemvocht? (nummering kan willekeurig zijn). Overigens is de verstedelijking toegenomen, dus aan de hand daarvan verwacht je weer een toename van het (niet daarvoor gecorrigeerde) aantal tropische dagen.

 

Guido van der Werf
Mee eens, er zijn veel factoren die een rol spelen, ik neem aan dat men op het KNMI hier ook wel mee bezig is. Ik ken de literatuur op dit gebied niet.

 

Jan van Rongen
Dit is geen samenvatting van een discussie maar iets nieuws – over vliegtuigsporen. Ik vind dat onzin. Dus oneens.

(4) Over de winters zijn we het ook eens. Natuurlijk waren er voor 1970 meer strenge winters (1912, 1917, 1929, 1933, 1940, 1941, 1942, 1943, 1947, 1956 in de eerste helft van de periode en 1963, 1979, 1985, 1986, 1987, 1996, 1997 in de tweede helft) terwijl tevens de winters van de eerste serie strenger waren en langer duurden dan de meeste van de tweede serie. Met mijn wintergeheugen is op dit punt niets mis, maar die ene extreem zachte winter van 2014 is niet maatgevend, dat wilde ik even gezegd hebben.

Extreem hoge temperaturen in de winter zijn veel meerzeggend dan hoge zomertemperaturen: van de januaridagen boven 13 graden viel er maar 1 in de eerste helft van de periode, tegen 17 in de tweede helft. Het record is zeer recent: 14,5 op 6 januari 2014.
Ik neig naar de conclusie uit deze en andere feiten dat de opwarming in Nederland tot dusver vooral blijkt uit hogere winter- en nachttemperaturen en veel minder in extreme warmte, die het KNMI in zijn scenario’s aankondigt, en waar exotische dieren op af zouden komen. Dat komt waarschijnlijk van het broeikaseffect (minder uitstraling) en van westelijke winden. Kunnen we het hier ook over eens zijn?

Arjan van Beelen
Die ene extreem zachte winter… ik kan me helaas erg veel extreem zachte winters herinneren in de jaren 90 en 2000, dit heb ik ook laten zien aan de hand van de ranking van de gemiddelde wintertemperatuur en de koudeproductie (Hellmann, maar geldt ook voor het vorstgetal van Meteogroup). Die zachte winters zijn overigens geen garantie voor de (nabije) toekomst, zoals ik al eerder schreef.
Nee, hier ben ik het helemaal niet mee eens. De enorme (recente) opwarming in NL blijkt vooral uit hogere lente en zomertemperaturen en minder uit die in de herfst en winter. De maand december is het minste opgewarmd van alle maanden. Zie bijv. http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0226-Temperatuur-mondiaal-en-in-Nederland.html?i=9-54 .
De winter en nachttemperaturen zijn gedurende de periode 1985-2010 met ongeveer dezelfde trend gestegen als wereldwijd, terwijl die overdag in het (zonne)zomer halfjaar bijna 2x zo snel zijn gestegen. Dit heeft o.a. te maken met de brightening, zoals je ook kunt zien in ons (Van Beelen & Van Delden) artikel in Weather.

 

Guido van der Werf
Ook mee eens en ook nog eens goed nieuws tot nu toe voor ons in Nederland lijkt me (behalve voor de schaatsliefhebbers natuurlijk). Maar uiteindelijk zal bij opwarming ook het aantal warme dagen verder toenemen, ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat dit niet zo is. En ik heb wel eens gehoord dat minimumtemperaturen een belangrijkere factor is dan maximumtemperaturen voor het verspreidingsgebied van exotische dieren ☺

 

Jan van Rongen
Ook dit is helemaal geen samenvatting of conclusie maar een nieuwe mening van Frans. Geen cijfermateriaal. Dus oneens.

 

Share

Warm oktoberweer, maar geen opwarming

Chemicus en statisticus Frans Dijkstra publiceerde gisteren in de Volkskrant een opiniestuk naar aanleiding van het warme weekend. De kop in de krant was dezelfde als boven dit blogbericht. Die kop is overigens bedacht door de Volkskrant, niet door Dijkstra, liet hij me weten. Online staat er trouwens een andere kop: Het publieke weergeheugen werkt misleidend.

Op twitter reageerde Stephan Okhuijsen van Sargasso.nl vrij gepikeerd en hij plaatste al snel een kritische beschouwing die als titel had: Liegen met grafieken: geen opwarming in de Volkskrant.

Frans Dijkstra gaf me toestemming om zijn stuk door te plaatsen. Daaronder probeer ik iets weer te geven van de discussie. En hopelijk kan een constructieve discussie tussen Dijkstra, Okhuijsen en andere geïnteresseerden meer duidelijk scheppen over welke “correcte” conclusies nu te trekken zijn.  Lees verder…

Share

Climate Dialogue about the (missing) hot spot

Over at the Climate Dialogue website we start with what could become a very interesting discussion about the so-called tropical hot spot. Climate models show amplified warming high in the tropical troposphere due to greenhouse forcing. However data from satellites and weather balloons don’t show much amplification. What to make of this? Have the models been ‘falsified’ as critics say or are the errors in the data so large that we cannot conclude much at all? And does it matter if there is no hot spot?

The (missing) tropical hot spot is one of the long-standing controversies in climate science. In 2008 two papers were published, one by a few scientists critical of the IPCC view (Douglass, Christy, Pearson and Singer) and one by Ben Santer and sixteen other scientists. We have participants from both papers. John Christy is the ‘representative’ from the first paper and Steven Sherwood and Carl Mears are ‘representatives’ of the second paper.

Below I repost the introduction that we – the editors of Climate Dialogue – prepared as the basis for the discussion. Feel free to post it on your own blog with a link to the discussion at climatedialogue.org.

 

The (missing) hot spot in the tropics

Based on theoretical considerations and simulations with General Circulation Models (GCMs), it is expected that any warming at the surface will be amplified in the upper troposphere. The reason for this is quite simple. More warming at the surface means more evaporation and more convection. Higher in the troposphere the (extra) water vapour condenses and heat is released. Calculations with GCMs show that the lower troposphere warms about 1.2 times faster than the surface. For the tropics, where most of the moist is, the amplification is larger, about 1.4.

This change in thermal structure of the troposphere is known as the lapse rate feedback. It is a negative feedback, i.e. attenuating the surface temperature response due to whatever cause, since the additional condensation heat in the upper air results in more radiative heat loss.

IPCC published the following figure in its latest report (AR4) in 2007:

Source: http://www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/wg1/en/figure-9-1.html (based on Santer 2003)

The figure shows the response of the atmosphere to different forcings in a GCM. As one can see, over the past century, the greenhouse forcing was expected to dominate all other forcings. The expected warming is highest in the tropical troposphere, dubbed the tropical hot spot.

The discrepancy between the strength of the hot spot in the models and the observations has been a controversial topic in climate science for almost 25 years. The controversy [i] goes all the way back to the first paper of Roy Spencer and John Christy [ii] about their UAH tropospheric temperature dataset in the early nineties. At the time their data didn’t show warming of the troposphere. Later a second group (Carl Mears and Frank Wentz of RSS) joined in, using the same satellite data to convert them into a time series of the tropospheric temperature. Several corrections, e.g. for the orbital changes of the satellite, were made in the course of years with a warming trend as a result. However the controversy remains because the tropical troposphere is still showing a smaller amplification of the surface warming which is contrary to expectations. Lees verder…

Share

Klotzbach revisited, a reply by John Christy

Recently Jos Hagelaars published a very extensive blog post (on the blog of Bart Verheggen) about a widely discussed paper of Klotzbach et al 2009. The title of the blog post – Klotzbach revisited – is in English, however, the post itself was written in Dutch. As a fellow Dutchman I understand that writing in Dutch is easier than writing in English. However, in this case, the blog post is focussed so much on one single paper, that Jos Hagelaars, in my opinion, should have chosen for an English version, in order to give the authors of the Klotzbach papers the chance to give a reaction. I translated the article with google translator and did some minor editing. I then shared the article with a few of the coauthors. John Christy looked at some of the issues raised by Hagelaars and wrote the following reaction which I publish here as a guest blog.

Guest blog by John Christy

In a blog post entitled “Klotzbach Revisited” Jos Hagelaars updated the results of Klotzbach et al. 2009, 2010, suggesting that the main point of Klotzbach was no longer substantiated. Klotzbach et al.’s main point was that a direct comparison of the relationship of the magnitude of surface temperature trends vs. temperature trends of the troposphere revealed an inconsistency with model projections of the same quantities.  Klotzbach et al. offered suggestions for this result which included the notion that near-surface air temperatures are easily affected by factors unrelated to greenhouse gas increases, which then implies they may be poor proxies for detecting the magnitude of the greenhouse effect which has its main impact in the deep atmosphere.

It appears Hagelaars’ key point is that when the data from Klotzbach et al. are extended beyond 2008 to include data through 2012, the discrepancies, i.e. the observed difference between surface and tropospheric trends relative to what models project, are reduced somewhat.

Lees verder…

Share

Sessie met Kamp opgepikt door Trouw

Trouw komt vandaag met maar liefst twee stukken (een zelfs op de voorpagina! en een op pag 12/13) over de klimaatsessie die Economische Zaken vorige week organiseerde voor minister Kamp. De stukken putten met name uit de notitie die PBL/KNMI schreef ter voorbereiding op de sessie. Die stukken plus de presentaties van Bart Strengers en Wilco Hazeleger staan nu ook online.

Mijn naam is weliswaar genoemd in Trouw maar uit mijn stuk is niet of nauwelijks geciteerd. Trouw zet stukken tegenwoordig niet meer gratis online en ik zal daarom de stukken zeker vandaag nog niet integraal online zetten. Het stuk op de voorpagina begint als volgt:

Kamp wil feiten over het klimaat

Nieuwe minister hoopt zin en onzin te scheiden zodat hij weet waarop hij beleid moet baseren

Minister Henk Kamp (economische zaken) wil af van de controverse tussen klimaatsceptici en wetenschappers over de opwarming van de aarde. In een vertrouwelijke sessie met deskundigen heeft hij getracht de zin en de onzin in het klimaatdebat te scheiden, als basis voor nieuw beleid.

Kamp is sinds kort verantwoordelijk voor het klimaatbeleid. Wetenschappers zijn het over het algemeen eens over de ernst van de opwarming van de aarde, maar in het maatschappelijk debat worden de uitkomsten van onderzoek betwist. Kamp wil weten welke argumenten in de discussie op feiten zijn gebaseerd, en welke op fictie. Hij vroeg vertegenwoordigers van het KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om presentaties te houden. Ook klimaatjournalist Marcel Crok, die vraagtekens zet bij de rol van CO2 bij de opwarming van de aarde, mocht zijn visie geven. Alle deelnemers hebben geheimhouding moeten beloven over het gesprek, maar publiceerden wel de door hen geleverde stukken.

De rest van het stuk op de voorpagina put uitsluitend uit de Notitie van het PBL/KNMI. In het tweede langere stuk wordt wel heel summier iets over sceptische argumenten gezegd. Bijvoorbeeld: Lees verder…

Share

Minicongres Klimaatbeleid Zwolle

Morgen spreek ik in het Provinciehuis in Zwolle tijdens een minicongres over klimaat en provinciaal klimaatbeleid. De twee andere sprekers zijn Arthur Petersen van het PBL en Pier Vellinga van Wageningen Universiteit. Een van mijn punten zal zijn dat we nog niet teveel waarde kunnen hechten aan de KNMI-scenario’s, eenvoudigweg omdat klimaatmodellen daar nog niet goed genoeg voor zijn. Pier Vellinga neemt het juist op voor de scenario’s. Het wordt vast een interessante middag. Hier het programma:

Klimaatverandering kan grote gevolgen hebben voor Overijssel.Verdroging op de zandgronden kan landbouw en natuur treffen. De bevaarbaarheid van rivieren en kanalen kan verminderen. Pieken in regenval verhoogt de kans op overstromingen.

Maar… hoe zeker zijn we dat deze effecten zich
zullen voordoen? Rechtvaardigt de kans op die effecten de kosten van maatregelen? En welke maatregelen zijn precies effectief?

Hierover organiseert het Trendbureau Overijssel op 30 oktober van 15.00 tot 17.30 uur een minicongres.

Marcel Crok, schrijver van ‘De Staat van het Klimaat, een koele blik op een verhit debat’, zal ingaan op de twijfels die bestaan over de klimaatverandering en de effectiviteit van lokaal en regionaal klimaatbeleid.

Professor Pier Vellinga, o.a. programmadirecteur van het klimaatprogramma van de WUR, verdedigt het gebruik van de KNMI scenariomodellen in regionale beleidsontwikkeling.

Professor Arthur Petersen, verbonden aan de VU en het PBL, presenteert manieren waarop lokale en regionale bestuurders kunnen omgaan met onzekerheid rond klimaatverandering.

De bijeenkomst vindt plaats in het provinciehuis van Overijssel, Luttenbergstraat 2 te Zwolle.

Share

Gelooft slechts 60% van de AMS-leden in AGW?

Judith Curry besteedt op haar blog aandacht aan een peiling onder leden van de American Meteorological Society (AMS), de beroepsvereniging van Amerikaanse meteorologen. De vragen die gesteld werden zijn redelijk goed en de voorlopige resultaten zijn heel interessant. Lees verder…

Share

Kudos voor PCCC

Bart Strengers schrijft in een reactie:

Naar aanleiding van jouw commentaar hebben we de berichtgeving op het klimaatportaal aangepast. De volgende zin hebben we verwijderd:‘Dit blijkt ondermeer uit een uiterst kritische studie van Fall et. al (maart 2011) waarin niettemin wordt geconcludeerd dat de gemiddelde temperatuurtrend in de VS nauwelijks wordt beïnvloed door het stadseffect.’ omdat onze interpretatie van het artikel (namelijk dat de studie zou aantonen dat er geen UHI-effect is) niet juist is. Goed dat je ons hierop hebt gewezen.

Complimenten voor Bart en PCCC dat ze dit hebben aangepast.  Dit is de constructieve manier waarop het debat gevoerd zou moeten worden. Lees verder…

Share

De overdrijving kwam van Dessler en Trenberth zelf

Reageerder Guido schrijft (vet door mij aangebracht):

Marcel,uiteraard is de stap van Wagner niet pluis en op het eerste gezicht niet te verdedigen. Maar ik denk dat het meer met de ophef over het S&B artikel te maken heeft dan met het artikel zelf. Skeptici klagen zo vaak dat het alarmistische bevindingen uitvergroot worden in de media,maar andersom kunnen “ze”er ook wat van. Het artikel zelf is redelijk voorzichtig maar de rem gaat los bij alle persberichten.

Inderdaad verwijst Wagner in zijn editorial naar de media-aandacht die de paper van Spencer en Braswell heeft gekregen:

With this step I would  also like to personally protest  against how the authors and like-minded climate sceptics have much exaggerated the paper’s conclusions in public statements, e.g., in a press release of The University of Alabama in Huntsville from 27 July 2011 [2], the main author’s personal homepage [3], the story “New NASA data blow gaping hole in global warming alarmism” published by Forbes [4], and the story “Does NASA data show global warming lost in space?” published by Fox News [5], to name just a few.

Wagner verwijst hierbij naar het persbericht van UAH, Spencers blog, een artikel van Forbes en een stuk van Fox News. Laten we die er eens een voor een bij pakken waarbij we dan vooral focussen op wat Spencer zelf zegt. Eerst het integrale persbericht: Lees verder…

Share

Agenda

Loading...

Donate to support investigative journalism on global warming

My blog list