Dijkstra II: Nederland wel warmer, niet extremer

Iedereen dank voor de interessante discussie onder het doorgeplaatste opiniestuk van Frans Dijkstra. Frans heeft in zijn laatste commentaar geprobeerd een eerste samenvatting te schrijven. Aangezien de vorige draad erg lang werd plaats ik dat commentaar hier als gastblog. Het is goed mogelijk dat critici van Dijkstra (Arjan, Guido, Jan etc.) het oneens zijn met de samenvatting. Mocht een van de “critici” ook een soort van samenvatting schrijven dan plaats ik die ook als apart gastblog. MC

Gastblog Frans Dijkstra

Ik doe een poging een paar dingen te inventariseren waar we het over eens zijn.

(1) Er is over de periode 1997-2014 geen correlatie tussen de gemiddelde maandtemperatuur en de tijd. Ik noem dat stilstand of stagnatie. Ik weet niet of ik de eerste ben in Nederland die dit signaleert. Als er in deze data een trend van plus of min 0,003 graad per maand zou zitten, dan zou dat nog net niet significant zijn. Dat betekent naar de toekomst toe, dat in 100 jaar een daling of een stijging van bijna 4 graden niet is uitgesloten. Dat is waar, maar wie zou zo’n reeks voor 100 jaar willen extrapoleren? Degenen die zeggen dat de opwarming onverminderd door gaat, kunnen dat niet zeggen op grond van deze data. Deze data zeggen uitsluitend: het kan vriezen of dooien. Zijn we het daarover eens?

Arjan van Beelen
De termijn is te kort en de spreiding is te groot om iets zinvols te kunnen concluderen over de temperatuurtrend. Als je iets schuift met het beginpunt, of een jaar toevoegt of weglaat dan krijg je weer andere resultaten. In een dataset met een grote variabiliteit ten opzichte van de trend kan je nooit aantonen of het nu nog wel of niet opwarmt de laatste jaren, dus dit is een zinloze bezigheid.

 

Guido van der Werf
dat de temperatuur vrij vlak is de laatste jaren daar zijn we het snel over eens. En dat extrapoleren van deze trend zinloos is daar zijn we het ook over eens. Maar ik ben het niet met je “het kan vriezen of dooien” eens. Misschien wel voor de komende jaren maar op een gegeven moment zal de trend door opwarming weer boven de ruis uit moeten komen.

 

Jan van Rongen
Statistisch foute conclusie; door Frans gemotiveerd met een zeer bekende logische fout, namelijk omkering van de (betekenis van de) nul-hypothese.

(2) Over de hoge oktobertemperaturen is mij cherry picking verweten omdat ik het over 23 graden had. Dat was toevallig de temperatuur van 18 oktober j.l. Keulemans zet daar zijn eigen cherry picking tegenover door een grafiek met 20 graden te tekenen. Tijd voor het volledige plaatje:

Volgens mij hebben Keulemans en ik allebei gelijk: warme dagen (meer dan 20 of 21 graden) zijn in de tweede helft van de periode flink toegenomen, maar vanaf 22 graden convergeren de lijnen. Vanaf 23 graden vallen ze vrijwel samen. Ik noem 23 graden in oktober ‘extreem’. Men kan van mening verschillen of een temperatuur die op 1,5% van de oktoberdagen voorkwam zo genoemd mag worden. Het is in ieder geval extremer dan de 3-6% van de oktoberdagen die warmer waren dan 20 graden.

Arjan van Beelen
Ik zie verschillen, maar ik zie niet of ze significant zijn. De eerste waarden bijv. >20 graden in ieder geval wel, dus je kan concluderen dat dat vaker voorkomt. Ik denk niet dat je kan aantonen dat records >23 C in Oktober vaker voorkomen in de 2e periode dan in de 1e periode.

 

Guido van der Werf
Ik heb in het vorige draadje diverse keren kwantitatief laten zien dat in het algemeen het aantal warme dagen is toegenomen, dus ik vind het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd vooral representatief voor het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd. En tja, wat extreem is daar kan je over twisten dus daar heeft iedereen gelijk.

 

Jan van Rongen
Anekdotisch “bewijs” dat kan worden omgevormd tot serieuzere testen waaruit de hoogte en (mate van) significantie van de opwarming voor en na 1957 kan worden afgeleid.

(3) We blijken het er over eens te zijn, dat voor 1950 ook veel tropische dagen zijn voorgekomen, verhoudingsgewijs niet veel minder dan na 1950. Dat kan misschien aan vliegtuigsporen worden toegeschreven: straalvliegtuigen waren er in de jaren 30 en 40 nog niet. Die sporen zouden op hete dagen de zonnestralen getemperd kunnen hebben. Maar misschien hebben ook hier de stromingspatronen invloed. Vliegtuigsporen kunnen niet het enorme gebrek aan tropische dagen in de jaren 50 en 60 verklaren. Een interessant punt voor nader onderzoek!

Arjan van Beelen
Ja, je kan niet aantonen dat het aantal tropische dagen toegenomen is als je deze 2 perioden hanteert. Als je tropische dagen (of warmer) als extreme hitte definieert dan kan je dus niet zeggen dat dit nu vaker voorkomt dan vroeger. Dit is een interessant (en bekend) resultaat, en heeft waarschijnlijk te maken met 1) aerosols (inclusief vliegtuigstrepen, de aerosol concentratie piekte in de jaren 60-70, en kan dus prima het minimum in 50-60er jaren verklaren (ik denk met contributie van stromingspatroon overigens, zie studies van Van Oldenborgh). 2) thermometerhutten en locatie 3) stromingspatroon? 4)bodemvocht? (nummering kan willekeurig zijn). Overigens is de verstedelijking toegenomen, dus aan de hand daarvan verwacht je weer een toename van het (niet daarvoor gecorrigeerde) aantal tropische dagen.

 

Guido van der Werf
Mee eens, er zijn veel factoren die een rol spelen, ik neem aan dat men op het KNMI hier ook wel mee bezig is. Ik ken de literatuur op dit gebied niet.

 

Jan van Rongen
Dit is geen samenvatting van een discussie maar iets nieuws – over vliegtuigsporen. Ik vind dat onzin. Dus oneens.

(4) Over de winters zijn we het ook eens. Natuurlijk waren er voor 1970 meer strenge winters (1912, 1917, 1929, 1933, 1940, 1941, 1942, 1943, 1947, 1956 in de eerste helft van de periode en 1963, 1979, 1985, 1986, 1987, 1996, 1997 in de tweede helft) terwijl tevens de winters van de eerste serie strenger waren en langer duurden dan de meeste van de tweede serie. Met mijn wintergeheugen is op dit punt niets mis, maar die ene extreem zachte winter van 2014 is niet maatgevend, dat wilde ik even gezegd hebben.

Extreem hoge temperaturen in de winter zijn veel meerzeggend dan hoge zomertemperaturen: van de januaridagen boven 13 graden viel er maar 1 in de eerste helft van de periode, tegen 17 in de tweede helft. Het record is zeer recent: 14,5 op 6 januari 2014.
Ik neig naar de conclusie uit deze en andere feiten dat de opwarming in Nederland tot dusver vooral blijkt uit hogere winter- en nachttemperaturen en veel minder in extreme warmte, die het KNMI in zijn scenario’s aankondigt, en waar exotische dieren op af zouden komen. Dat komt waarschijnlijk van het broeikaseffect (minder uitstraling) en van westelijke winden. Kunnen we het hier ook over eens zijn?

Arjan van Beelen
Die ene extreem zachte winter… ik kan me helaas erg veel extreem zachte winters herinneren in de jaren 90 en 2000, dit heb ik ook laten zien aan de hand van de ranking van de gemiddelde wintertemperatuur en de koudeproductie (Hellmann, maar geldt ook voor het vorstgetal van Meteogroup). Die zachte winters zijn overigens geen garantie voor de (nabije) toekomst, zoals ik al eerder schreef.
Nee, hier ben ik het helemaal niet mee eens. De enorme (recente) opwarming in NL blijkt vooral uit hogere lente en zomertemperaturen en minder uit die in de herfst en winter. De maand december is het minste opgewarmd van alle maanden. Zie bijv. http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0226-Temperatuur-mondiaal-en-in-Nederland.html?i=9-54 .
De winter en nachttemperaturen zijn gedurende de periode 1985-2010 met ongeveer dezelfde trend gestegen als wereldwijd, terwijl die overdag in het (zonne)zomer halfjaar bijna 2x zo snel zijn gestegen. Dit heeft o.a. te maken met de brightening, zoals je ook kunt zien in ons (Van Beelen & Van Delden) artikel in Weather.

 

Guido van der Werf
Ook mee eens en ook nog eens goed nieuws tot nu toe voor ons in Nederland lijkt me (behalve voor de schaatsliefhebbers natuurlijk). Maar uiteindelijk zal bij opwarming ook het aantal warme dagen verder toenemen, ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat dit niet zo is. En ik heb wel eens gehoord dat minimumtemperaturen een belangrijkere factor is dan maximumtemperaturen voor het verspreidingsgebied van exotische dieren ☺

 

Jan van Rongen
Ook dit is helemaal geen samenvatting of conclusie maar een nieuwe mening van Frans. Geen cijfermateriaal. Dus oneens.

 

Share

Warm oktoberweer, maar geen opwarming

Chemicus en statisticus Frans Dijkstra publiceerde gisteren in de Volkskrant een opiniestuk naar aanleiding van het warme weekend. De kop in de krant was dezelfde als boven dit blogbericht. Die kop is overigens bedacht door de Volkskrant, niet door Dijkstra, liet hij me weten. Online staat er trouwens een andere kop: Het publieke weergeheugen werkt misleidend.

Op twitter reageerde Stephan Okhuijsen van Sargasso.nl vrij gepikeerd en hij plaatste al snel een kritische beschouwing die als titel had: Liegen met grafieken: geen opwarming in de Volkskrant.

Frans Dijkstra gaf me toestemming om zijn stuk door te plaatsen. Daaronder probeer ik iets weer te geven van de discussie. En hopelijk kan een constructieve discussie tussen Dijkstra, Okhuijsen en andere geïnteresseerden meer duidelijk scheppen over welke “correcte” conclusies nu te trekken zijn.  Lees verder…

Share

IPCC bias in action

The AR5 Synthesis Report has been published with all the usual rhetorics such as that we have only so much years left to act. Readers here know that my interest with regard to AR5 has been climate sensitivity. So let’s just shortly review what happened in the field of climate sensitivity between the Synthesis Report (SYR) of AR4 (2007) and that of AR5 (2014). Let’s focus on the SPM because this is what is supposed to be the most policy relevant information.

The SYR SPM of AR4 mentions “climate sensitivity” seven times:

For GHG emissions scenarios that lead to stabilisation at levels comparable to SRES B1 and A1B by 2100 (600 and 850 ppm CO2-eq; category IV and V), assessed models project that about 65 to 70% of the estimated global equilibrium temperature increase, assuming a climate sensitivity of 3°C, would be realised at the time of stabilisation. [Figure SPM.8 on page 12]

The timing and level of mitigation to reach a given temperature stabilisation level is earlier and more stringent if climate sensitivity is high than if it is low. [page 20]

Global average temperature increase above pre-industrial at equilibrium, using ‘best estimate’ climate sensitivity [Table SPM.6 on page 20]

The best estimate of climate sensitivity is 3°C. [note d of table SPM.6 on page 20]

Equilibrium sea level rise is for the contribution from ocean thermal expansion only and does not reach equilibrium for at least many centuries. These values have been estimated using relatively simple climate models (one low-resolution AOGCM and several EMICs based on the best estimate of 3°C climate sensitivity) and do not include contributions from melting ice sheets, glaciers and ice caps. [note f of table SPM.6 on page 20]

The right-hand panel shows ranges of global average temperature change above pre-industrial, using (i) ‘best estimate’ climate sensitivity of 3°C (black line in middle of shaded area), (ii) upper bound of likely range of climate sensitivity of 4.5°C (red line at top of shaded area) (iii) lower bound of likely range of climate sensitivity of 2°C (blue line at bottom of shaded area). [Caption of figure SPM.11 on page 21]

Impacts of climate change are very likely to impose net annual costs, which will increase over time as global temperatures increase. Peer-reviewed estimates of the social cost of carbon23 in 2005 average US$12 per tonne of CO2, but the range from 100 estimates is large (-$3 to $95/tCO2). This is due in large part to differences in assumptions regarding climate sensitivity, response lags, the treatment of risk and equity, economic and non-economic impacts, the inclusion of potentially catastrophic losses and discount rates. [page 22]

Climate sensitivity is a key uncertainty for mitigation scenarios for specific temperature levels. [page 22]

Summarised: climate sensitivity and its uncertainties is highly relevant for the amount of future warming. The best estimate for climate sensitivity is 3°C, the lower bound is 2°C and the upper bound is 4.5°C.

The full AR4 Synthesis report mentions climate sensitivity 13 times. It for example said:

Progress since the TAR enables an assessment that climate sensitivity is likely to be in the range of 2 to 4.5°C with a best estimate of about 3°C, and is very unlikely to be less than 1.5°C.

 

Zero
Now straigth to the AR5 Synthesis Report SPM. It mentions this highly relevant parameter (according to AR4) … zero times! Not a word about it. The full Synthesis report does mention it four times. For example on page SYR-23 we read:

Climate system properties that determine the response to external forcing have been estimated both from climate models and from analysis of past and recent climate change. The equilibrium climate sensitivity (ECS) is likely in the range 1.5 °C–4.5 °C, extremely unlikely less than 1 °C, and very unlikely greater than 6 °C.

Now what has happened in the past seven years that climate sensitivity disappeared from the SPM of the Synthesis Report? Has it become irrelevant? Of course not. Climate sensitivity is all over the Synthesis Report because the models used to project the future climate have a climate sensitivity of about 3.5°C on average. So in all its projections IPCC assumes climate sensitivity is still >3°C. It’s there as some sort of hidden assumption.

Why not say so then? Well, exactly this assumption, that the model climate sensitivity is about 3.5°C, has been seriously challenged in the past few years in the scientific literature. The Lewis/Crok report A Sensitive Matter (published in March of this year) gave all the details about new observationally based studies that indicate the climate sensitivity is relatively low with best estimate values of between 1.5 and 2°C. Considerably lower than the 3.5°C climate sensitivity of the models.

Dilemma
Recently Lewis and Curry used all the relevant AR5 numbers and a very detailed uncertainty analysis to estimate the range and best estimate for climate sensitivity in a paper published in Climate Dynamics. Their preferred likely range is 1.25-2.45°C and the best estimate is 1.64°C. Again, these are not numbers invented by skeptics, those are the numbers of the IPCC itself. It assumes close to 100% of the warming since 1850 is due to humans, an assumption that goes much further than the iconic “it’s now extremely likely that most of the warmings since 1950 is due to humans” statement in AR5.

Now this specific paper of course came out after the IPCC deadline for the Synthesis Report. However as we document in the Lewis/Crok report, the IPCC was well aware of these recently published lower estimates of climate sensitivity. It lowered its lower boundary from 2°C back to 1.5°C (where it has been in most earlier IPCC reports).

The IPCC was saddled with a dilemma. A lot of conclusions in the report are based on the output of models and admitting that the models’ climate sensitivity is about 40% too high was apparently too…inconvenient. So IPCC decided not to mention climate sensitivity anymore in the SPM of the Synthesis Report. It decided to give the world a prognosis which it knows is overly pessimistic. One may wonder why. Did it want to hide the good news?

Share

When non-news becomes news

Today many people are surprised that The Times turned non-news into news by putting it on their frontpage: the fact that a paper by Lennart Bengtsson was rejected by Environmental Research Letters. Rejections of papers happens hundreds of times a day, so why put it on the frontpage? Well, the answer is simple, because it fits into a larger “story”. The larger story of course is that Bengtsson accused the climate science community of McCarthyism.

Bengtsson himself is feeding this larger story by saying in the article:

Lennart Bengtsson, a research fellow at the University of Reading and one of the authors of the study, said he suspected that intolerance of dissenting views on climate science was preventing his paper from being published. “The problem we now have in the climate community is that some scientists are mixing up their scientific role with that of a climate activist,” he added.

Non-news becoming news happens all the time in the media, this is how they work. When they smell there is an “affair”, tiny things suddenly get promoted to the frontpage. This happened after climategate as well. Suddenly it was news that AR4 wrongly claimed that Himalayan glaciers would be gone in 2035. I am convinced that without climategate all these other IPCC “gates” wouldn’t have been picked up by the media.

The Dutch journalist Tomas Vanheste was surprised how good this worked. He discovered a minor error in the WGII AR4 report – about the part of The Netherlands that is lying below the sea level. But after Himalaya gate this was suddenly enough to have a sea level gate. It’s all hyperbole but climate “activists” use this in their favor most of the days when the media is eager to exaggerate their latest findings:

It’s All Over: Melting of Western Antarctic Ice Sheet Unstoppable, NASA Says. Read more at http://indiancountrytodaymedianetwork.com/2014/05/14/its-all-over-melting-western-antarctic-ice-sheet-unstoppable-nasa-says-154868

 

This time IOP, the publisher of ERL replied quickly and complained about the non-news becoming news:

“With current debate around the dangers of providing a false sense of ‘balance’ on a topic as societally important as climate change, we’re quite astonished that The Times has taken the decision to put such a non-story on its front page.

I wish publishers and/or scientists were always so keen to correct decisions of the media, e.g. in case scientific claims are exaggerated.

Anyway, we now know a little more about the rejected paper of Bengtsson and four colleagues because IOP released one of the negative referee reports. This shows that the paper has a lot of similarities with the Lewis/Crok report. The reviewer starts with this:

The manuscript uses a simple energy budget equation (as employed e.g. by Gregory et al 2004, 2008, Otto et al 2013) to test the consistency between three recent “assessments” of radiative forcing and climate sensitivity (not really equilibrium climate sensitivity in the case of observational studies).
The study finds significant differences between the three assessments and also finds that the independent assessments of forcing and climate sensitivity within AR5 are not consistent if one assumes the simple energy balance model to be a perfect description of reality.

In our report we also describe the energy budget method. We actually favor it and claim it currently gives the best indication of the climate sensitivity of the current climate. Nic Lewis now defends this position in the Climate Dialogue that the Dutch institutes PBL, KNMI and myself have set up about this topic.

Lewis and I were criticised for publishing our report at GWPF instead of in a peer reviewed journal. Lewis has published in peer reviewed journals (and even I have one publication) and will do so again so we are not against that. We were and are convinced though that such a long analysis of parts of an IPCC report is not regarded as new science and will therefore be rejected. The referee report of the Bengtsson paper also suggests this:

The overall innovation of the manuscript is very low, as the calculations made to compare the three studies are already available within each of the sources, most directly in Otto et al.

So one may conclude that we see here peer reviewed evidence that our report wasn’t fit for a peer reviewed journal as well.

The referee report contains some awful language that reminds us of the let’s not give fodder to the skeptics remarks in some climategate emails:

Summarising, the simplistic comparison of ranges from AR4, AR5, and Otto et al, combined with the statement they they are inconsistent is less then helpful, actually it is harmful as it opens the door for oversimplified claims of “errors” and worse from the climate sceptics media side.

These kind of motivations should have no place in a reviewer’s report and if I were the reviewer I would have been unhappy to make my report public like IOP now did.

[Update]
Steve McIntyre has some interesting observations about the reviewer’s report as well noting that the main shortcoming/error of the paper seems to be the fact that it compared observations with models where “no consistency was to be expected in the first place”. McIntyre:

Thus, the “error” (according to the publisher) seems to be nothing more than Bengtsson’s expectation that models be consistent with observations. Surely, even in climate science, this expectation cannot be seriously described as an “error”.

 

Share

Groene kwesties over De Twijfelbrigade

Mijn eerste reactie op het boek en vooral de boekpresentatie van De Twijfelbrigade is in verkorte versie overgenomen door de website Groene Kwesties. Met de oprichter van deze site, Marco Ploeger, heb ik onlangs geluncht. We kwamen erachter dat we elkaar al kenden van een interdisciplinair vak bij milieukunde van de UvA.

Ik ben overigens nog niet erg opgeschoten in De Twijfelbrigade. Alle energie en aandacht gaat momenteel naar de actualiteit, de Bengtsson-affaire en Climate Dialogue.

Share

Elsevier (1990): Bengtsson relativeert dreiging van broeikaseffect

[Update: Met dank aan Simon Rozendaal is hier nu ook het volledige interview met Bengtsson destijd in Elsevier]

De beslissing van Lennart Bengtsson om toe te treden tot de Academic council van de GWPF heeft behoorlijk wat aandacht getrokken. Na mijn eigen interview met hem volgden interviews met Hans von Storch, Axel Bojanowski in Der Spiegel en een verhaal in de Basler Zeitung. Wat opvalt is dat Bengtsson telkens benadrukt dat hij altijd “sceptisch” is geweest.

In zijn interview met mij schreef Bengtsson:

I have always been sort of a climate sceptic. I do not consider this in any way as negative but in fact as a natural attitude for a scientist. I have never been overly worried to express my opinion and have not really changed my opinion or attitude to science.

Nu zegt dat op zichzelf weinig. In debatten tussen sceptici en mainstreamers zeggen mainstreamers ook geregeld dat “alle wetenschappers sceptisch zijn” en het zegt dus op zichzelf weinig over hoe mainstream dan wel sceptisch Bengtsson feitelijk is.

Simon Rozendaal van Elsevier stuurde me een e-mail met citaten van Bengtsson waaruit blijkt dat Bengtsson inderdaad al heel vroeg in het klimaatdebat openlijk zeer kritisch was over de dreiging van het broeikaseffect. Uit de e-mail van Rozendaal:

Ik publiceerde op 27 oktober 1990 (!), toen hij al directeur was van het centrum in Hamburg, een interview met hem in Elsevier. De kop: Een koele deken van wolken. Onderkop: Klimaatdeskundige Bengtsson relativeert dreiging van broeikaseffect.

In het interview benadrukt Bengtsson o.a. de onvolledigheid en grofmazigheid van de computermodellen waarop de broeikascommotie is gebaseerd en dat we veel te weinig van wolken begrijpen.

Wat citaten:

‘Er is bij het broeikaseffect een wisselwerking tussen de media, de politiek en de wetenschap. Elke partij vuurt de andere aan. De wetenschap staat onder druk, omdat iedereen een advies van ons wil. Wij mogen echter niet de indruk wekken dat de catastrofe aanstaande is. Het broeikaseffect is een probleem dat nog honderden jaren onder ons zal zijn. De klimaatdeskundigen moeten de moed hebben om te zeggen dat we het nog niet zeker weten. Wat is er verkeerd aan dat luid en duidelijk te zeggen?’

‘Er is geen enkele steun voor de claim dat het broeikaseffect al merkbaar zou zijn. Men zegt dan dat het zuidelijk halfrond al opwarmt. Daar zijn echter maar zo weinig observatieposten dat er over de temperatuur daar hoegenaamd niets zinnigs te zeggen is.’

‘Velen van ons voelen zich uiterst ongemakkelijk met wat er allemaal over het broeikaseffect wordt beweerd. Het is al dertig jaar bekend. Niemand had het er over omdat de temperatuur de afgelopen dertig jaar lichtelijk is gedaald. Pas nadat in de warme zomer van 1988 Jim Hansen van de Nasa het onderwerp weer oppikte, is het op de politieke agenda gekomen. Daar is niets op tegen. Als je een paar honderd jaar vooruit kijkt zou het broeikaseffect best een ernstig probleem kunnen worden. Sommige maatregelen zijn ronduit verstandig: energie besparen en minder afhankelijk worden van olie, dat zijn goede zaken. Maar men mag het broeikaseffect niet oversellen. Er zijn talloze vervuilingsproblemen die urgenter zijn, zoals het probleem van de zwaveldioxide in Oost-Europa.’

Wow! Wat mij het meest frappeert aan de uitspraken is dat ze anno 2014 nog steeds opgaan. Wolken zijn nog steeds onbegrepen, de grofmazigheid van modellen is nog altijd een issue. “Als je een paar honderd jaar vooruit kijkt zou het broeikaseffect best een ernstig probleem kunnen worden.” Ook die opmerking kun je nog steeds prima maken. De citaten laten helaas ook zien hoe bedroevend weinig vooruitgang er is geboekt in het wetenschappelijke klimaatdebat.

Rozendaal voegde er nog dit aan toe:

De wereld is niet zwart of wit (scepticus of alarmist), er zijn op zijn minst vijftig tinten grijs.

 

Share

Twijfels bij De Twijfelbrigade

[Update 30 april]
Mijn keuze voor het citaat van Bengtsson krijgt een opmerkelijk staartje. Zojuist maakt GWPF bekend dat Bengtsson is toegetreden tot de council van de GWPF, waar onder andere ook Lindzen, McKitrick en Tol in zitten. Zie
http://www.thegwpf.org/professor-lennart-bengtsson-joins-gwpf-academic-advisory-council/

Verandert dit de situatie? Behoort Bengtsson nu definitief tot de “twijfelbrigade”?

Ik ben benieuwd of de GWPF dan wel Bengtsson met een uitgebreidere toelichting zullen komen. Ik denk dat velen in de klimaatgemeenschap deze beslissing met gefronste wenkbrauwen zullen aanhoren. Wordt ongetwijfeld vervolgd.
[einde update]

Jan Paul van Soest presenteerde gistermiddag in De Balie in Amsterdam zijn boek De Twijfelbrigade. Er was een bijeenkomst van ruim twee uur, ingeleid door Maurits Groen (die het boek heeft uitgegeven) en geleid door Pier Vellinga. Er was een debat waar geen leden van de twijfelbrigade voor waren uitgenodigd. In het panel zaten Monique Riphagen van het Rathenau Instituut, Liset Meddens van Fossil Free NL, socioloog Gert Spaargaren van Wageningen Universiteit, organisatie-adviseur Erik van Praag, onderzoeker en blogger Bart Verheggen en journalist Martijn van Calmthout van de Volkskrant. Hans Labohm en ik waren voor zover ik kon nagaan de enige twee aanwezigen namens de ‘twijfelbrigade’.

Het boek kreeg al voor de lancering de nodige aandacht in de media, een uitgebreid interview in Trouw (waarin Labohm en ik beiden genoemd worden) en gisteren een in de Volkskrant (niet online beschikbaar). Maarten Keulemans schreef op persoonlijke titel een Volkskrant-blogartikel dat heel kritisch van toon is en dat als teneur heeft dat Van Soest als duurzame ondernemer belang heeft bij een alarmistische boodschap. Van Soest was overduidelijk woest over dat artikel en noemde het gisteren een “sardonisch stukje”.

Het boek zelf heb ik vooralsnog alleen maar kunnen scannen. Duidelijk is dat Van Soest een serieuze poging heeft ondernomen om klimaatsceptici in kaart te brengen. Hij scheert ze niet over een kam en onderscheidt wel zes, zeven verschillende typen klimaatsceptici. Daarover later meer als ik het boek gelezen heb.

Ik baseer mijn eerste reacties nu vooral op de interviews in Trouw en de Volkskrant, op de bijeenkomst gisteren en op het voorwoord. Het belangrijkste wat opvalt is dat “de klimaatconsensus” zoals die is vastgesteld door “de Klimaatwetenschap” als een in steen gebeitelde waarheid gezien moet worden. Iedereen die daar nog aan twijfelt behoort tot de twijfelbrigade en die is zoals het woord al zegt alleen maar uit op twijfel zaaien en niet op waarheidsvinding of wetenschappelijk inzicht. Uit het voorwoord:

De klimaatsceptici zijn erin geslaagd de wereld op zijn kop te zetten, door klimaatwetenschap en -wetenschappers in het verdomhoekje te plaatsen, in plaats van wetenschappelijke kennis te accepteren als de beste beschrijving en begrip van de realiteit.

Hier gaat het me even om het tweede vetgedrukte deel. De Klimaatwetenschap (met een hoofdletter K) heeft ons de beste beschrijving en begrip van de realiteit gegeven. Dit is de klimaatconsensus. In het boek zal er hopelijk een enigszins genuanceerde versie van die klimaatconsensus worden gegeven. Gisteren beperkten de heren in het panel zich echter tot een karikatuur van die consensus. Namelijk dat het 5 VWO natuurkunde is en dat iedereen het dus zou moeten kunnen snappen. Vier, vijf maal viel ook de term “het absorptiespectrum van CO2″. Waarmee geïmpliceerd werd dat het toch logisch is dat CO2 voor opwarming zorgt. Door dit op te merken suggereerden de panelleden dat de twijfelbrigade dat soort basiskennis in twijfel trekt. Het overgrote merendeel van de klimaatsceptici doet dat echter niet. Lees verder…

Share

Hoe lang gaat de CO2-opname nog door?

Guido van der Werf van de VU heeft mede naar aanleiding van het Lewis/Crok-rapport een uitgebreid blogbericht geschreven dat vooral kijkt naar naar de scenario’s. Ik verwacht de komende jaren veel aandacht voor de scenario’s. Momenteel zitten de emissies boven het zogenaamde RCP8.5 scenario, het hoogste van de vier IPCC-scenario’s. Een relatief lage klimaatgevoeligheid kan nog altijd aanzienlijk wat opwarming geven als de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer snel toeneemt.

Onderstaand blogbericht is ook geplaatst op de blog van Bart Verheggen.

Gastblog van Guido van der Werf

Samenvatting
Met simpel doortrekken van de ontwikkelingen van de laatste 15 jaar komen we dicht in de buurt van het hoogste IPCC scenario wat CO2-uitstoot betreft, het zogenaamde RCP8.5-scenario.

Onzekerheden in hoeverre het land en oceanen CO2 blijven opnemen zijn belangrijk en vormen een van de grote onzekerheden wat toekomstige klimaatverandering betreft.

Ongeveer een kwart van de forcering van het RCP8.5-scenario zit in niet-CO2 factoren waarin met name methaan een belangrijke rol speelt.

Zelfs als je deze niet-CO2 factoren buiten beschouwing laat kom je met lage waardes van klimaatgevoeligheid rond of boven de 2 graden opwarming in 2100 uit. Het meenemen van deze factoren of hogere klimaatgevoeligheden leveren uiteraard meer opwarming op, en vice versa.

Om toekomstige klimaatverandering te berekenen zijn grofweg vier factoren van belang: klimaatgevoeligheid, de netto klimaatforcering, de benodigde tijd om een nieuw evenwicht te bereiken, en natuurlijke factoren. De klimaatgevoeligheid heeft de laatste weken veel aandacht gekregen, met name vanwege een rapport van Nic Lewis en Marcel Crok waar een lagere klimaatgevoeligheid uit kwam dan de 1.5-4.5 graden opwarming per CO2 verdubbeling van het laatste IPCC rapport.

Dit blogbericht gaat over de klimaatforcering en dan met name over de toekomstige uitstoot en atmosferische concentratie van CO2. Met behulp van acht grafieken laat ik zien wat voor factoren belangrijk zijn en wat de toekomstige CO2-concentratie zou kunnen zijn bij ‘business as usual’, oftewel bij geen mitigatie. Naast CO2 zijn er uiteraard ook andere factoren van belang inclusief emissies van methaan (CH4) en lachgas (N2O) maar die laat ik hier grotendeels buiten beschouwing. Lees verder…

Share

De Ingenieur: effect CO2 kleiner dan gedacht

Technologietijdschrift De Ingenieur vroeg mij de rubriek Punt te schrijven naar aanleiding van het rapport over klimaatgevoeligheid. Het staat in De Ingenieur nr. 3 van 2014 en is nu ook online te lezen:

Effect CO2 kleiner dan gedacht

Expert-review van nieuwste klimaatrapport

Het werkelijke klimaat is aanzienlijk minder gevoelig voor broeikasgassen dan klimaatmodellen suggereren. Toekomstverwachtingen voor de opwarming dienen daarom naar beneden bijgesteld te worden, stelt wetenschapsjournalist en expert reviewer Marcel Crok.

Het goede nieuws is dit: metingen aan ons klimaat over de afgelopen 150 jaar en de bijgewerkte kennis over effecten van broeikasgassen en aerosolen (luchtverontreiniging) suggereren dat het klimaat aanzienlijk minder (ruim veertig procent) gevoelig is voor broeikasgassen dan de klimaatwetenschap al decennia denkt, zo blijkt uit het rapport Een gevoelige kwestie: hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg.
Het rapport is geschreven door de Britse onafhankelijke klimaatwetenschapper Nic Lewis en ondergetekende. Wij waren beiden expert reviewers van het eind vorig jaar verschenen vijfde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). We constateerden dat het IPCC naar alle relevante literatuur verwijst maar het ‘goede nieuws’ niet bracht. Wij laten zien dat bij het een na hoogste emissiescenario van het IPCC twee graden opwarming pas rond 2100 bereikt hoeft te worden, en niet de komende 25 jaar, zoals het IPCC zelf concludeert.

Lees verder op http://www.deingenieur.nl/nl/artikel/32877/index.html

Share

Een gevoelige kwestie: Hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg

Persbericht

Rapport ‘Een gevoelige kwestie: Hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg’

De Britse denktank Global Warming Policy Foundation (GWPF) en stichting De Groene Rekenkamer presenteren vandaag, donderdag 6 maart in perscentrum Nieuwspoort het rapport ‘Een gevoelige kwestie: hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg’. Het rapport is geschreven door de Nederlandse wetenschapsjournalist Marcel Crok en de Britse onafhankelijke klimaatonderzoeker Nicholas Lewis. Beiden waren reviewers van het onlangs verschenen vijfde IPCC-rapport.

Het klimaat blijkt zo’n 40% minder gevoelig voor broeikasgassen dan klimaatonderzoekers en het IPCC al dertig jaar denken, zo laten Lewis en Crok zien in hun rapport ‘Een gevoelige kwestie: hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg’. Het vijfde IPCC-rapport, dat in januari werd gepresenteerd, bevat ook alle ingrediënten om die opbeurende conclusie te kunnen trekken. Toch trok het IPCC die niet.

In hun rapport gaf het IPCC onverwachts geen ‘beste schatting’ voor klimaatgevoeligheid, maar alleen een range van 1,5 tot 4,5 graden Celsius. Beleidsmakers zouden daaruit ten onrechte kunnen concluderen dat het midden van die range (drie graden) nog altijd het meest waarschijnlijk is. Lewis en Crok stellen op basis van observaties dat deze range aanzienlijk lager is, namelijk 1,25 tot 3,0 graden Celsius met een beste schatting van 1,75 graden.

De modellen zijn aanzienlijk gevoeliger dan het werkelijke klimaat aangeeft. De auteurs concluderen dan ook dat de IPCC-modellen de opwarming van de aarde in het jaar 2100 flink overschatten. Lewis: “Wij schatten dat bij het een na hoogste emissiescenario van het IPCC de opwarming eind van deze eeuw nog altijd beperkt blijft tot het internationale doel van twee graden.”

Het rapport verschijnt in een lange en een korte versie in het Engels en is vanaf vandaag te downloaden via de website van de GWPF:  http://www.thegwpf.org/category/gwpf-reports/ en van De Groene Rekenkamer:

A Sensitive Matter — How the IPCC Buried Evidence Showing Good News About Global Warming.pdf

Oversensitive — How The IPCC Hid The Good News On Global Warming.pdf

De lange versie van het rapport is in het Nederlands vertaald door Marcel Crok en is hier te downloaden:

Een gevoelige kwestie.pdf

Share

Agenda

Loading...

Donate to support investigative journalism on global warming

My blog list