Bart Strengers schrijft in een reactie:

Naar aanleiding van jouw commentaar hebben we de berichtgeving op het klimaatportaal aangepast. De volgende zin hebben we verwijderd:‘Dit blijkt ondermeer uit een uiterst kritische studie van Fall et. al (maart 2011) waarin niettemin wordt geconcludeerd dat de gemiddelde temperatuurtrend in de VS nauwelijks wordt beïnvloed door het stadseffect.’ omdat onze interpretatie van het artikel (namelijk dat de studie zou aantonen dat er geen UHI-effect is) niet juist is. Goed dat je ons hierop hebt gewezen.

Complimenten voor Bart en PCCC dat ze dit hebben aangepast.  Dit is de constructieve manier waarop het debat gevoerd zou moeten worden.

17% of 25%?
Bart schrijft ook:

Verder nog het volgende. In onze kritiek op jouw boek aangaande het UHI-effect schreven we dat: ‘…op pagina 70 van het boek van Marcel Crok staat dat ‘… de opwarming op land sinds 1980 waarschijnlijk met 50 procent onderschat wordt’. Uit deze zin blijkt dat die 50 procent betrekking heeft op de opwarming van het land. Dit maakt veel uit. Aangezien eenderde deel van het aardoppervlak bestaat uit land, blijft van de eerder genoemde 50% nog 17% over die toe te schrijven zou zijn aan verkeerde metingen doordat steden steeds meer warmte genereren.’

In deze redenering kan ik me op zich bijna vinden. Het PCCC heeft geredeneerd 1/3 van 50% is 17%. Maar laten we de trends eens als uitgangspunt nemen. De trend op zee is ongeveer 0,4 en die boven land ongeveer 0,8 over de periode 1970 tot nu. De mondiale trend wordt dan (2/3 x 0,4) + (1/3 x 0,8) = 0,53, de bekende halve graad. Met 50% UHI (en andere socio-economische factoren) boven land krijgen we (2/3 x 0,8) + (1/3 x 0,4) = 0,4. Hieruit rolt dan een procentuele afname van 0,13/0,53 x 100% = 25%.

Ik denk dat deze 25% beter overeenkomt met de gevolgde redenering dan de 17% van het PCCC.

Attributie
Stel dat het inderdaad 25% zou zijn. Dat zou een resultaat zijn dat het IPCC prominent zou moeten brengen. In attributie-studies gaat het IPCC er immers vanuit dat het temperatuurnetwerk vrijwel vrij is van UHI. Onder andere zo komt men tot de conclusie dat meer dan 50% van de opwarming door antropogene broeikasgassen veroorzaakt is. Een kleiner deel van de opwarming toekennen aan het versterkte broeikaseffect heeft ook gevolgen voor schattingen van de klimaatgevoeligheid.

IPCC
Maar zover is het natuurlijk nog lang niet. Een belangrijk punt dat ik in mijn boek maak is dat IPCC niets van deze redenering (en de papers van Michaels/McKitrick en De Laat/Maurellis) wil weten en komt met de bijna verwaarloosbare 0,06 graden in de onzekerheid (let op: niet in de trend zelf!):

The IPCC TAR box 2.1 however, states: “Extensive tests have shown that the urban heat island effects are no more than about 0.05°C up to 1990 in the global temperature records used in this chapter to depict climate change. Thus we have assumed an uncertainty of zero in global land-surface air temperature in 1900 due to urbanisation, linearly increasing to 0.06°C (two standard deviations 0.12°C) in 2000.”

Het PCCC vertaalde dit op klimaatportaal tot:

Het IPCC concludeerde in 2007 (IPCC, 2007, section 3.2) dat het stadseffect hooguit 0,06 graden Celsius bedraagt sinds 1900. Voor het gehele aardoppervlak is de bijdrage dus maximaal 0,02 graden Celsius, ofwel 3% van de totale mondiale opwarming (ongeveer 0,74 graden over de periode 1906-2005).

Ook dit is dus niet helemaal correct. IPCC schreef niet meer dan 0,05 graden toe aan UHI tot 1990 maar voelde zich niet geroepen om die 0,05 graden van de trend af te trekken. Men verhoogde alleen de onzekerheidsmarge tot 0,06 in 1990.

Basisvraag
Tot slot wil ik wel opmerken dat dit soort discussie voorbij gaan aan de basisvraag: is een 2-meter temperatuur geschikt voor het monitoren van het globaal gemiddelde klimaat? Het antwoord is simpel: nee.

Een twee meter temperatuur – zeker boven land – is een lokale meting die afhankelijk van de omstandigheden representatief kan zijn voor een groter gebied en een groter deel van de atmosfeer (bijvoorbeeld overdag), of juist niet (bijvoorbeeld ‘s nachts).

Voor een 2-meter temperatuur zijn er helaas nogal wat verstorende invloeden: landgebruik, kwaliteit van de locatie, kwaliteit van het meetinstrument, kwaliteit van de meethut, vochtbalans, lokale veranderingen in absorptie/albedo, urban heat islands, afvalwarmte etc. Daarnaast is het hele 2-meter temperatuurnetwerk nooit opgezet om het klimaat te monitoren: dat vereist een veel betere kwaliteitscontrole en kost klauwen met geld.

Anders gezegd: zal een veranderend klimaat onder invloed van broeikasgassen effect hebben op de 2-meter temperatuur? Zeker. Maar dat betekent nog niet dat veranderingen in de 2-meter temperatuur een eenduidig signaal zijn van een veranderend mondiaal klimaat onder invloed van broeikasgassen.

Zolang het IPCC blijft volhouden dat de 2-meter temperatuur wel gewoon een geschikte en bruikbare parameter is zonder dat tot in detail is aangetoond dat alle metingen vrij zijn van andere invloeden – en dat laatste is per definitie niet mogelijk wegens een gebrek aan voldoende meta-data – zul je deze discussie over de temperatuurmetingen blijven houden.

Het zou mooi zijn als het IPCC in het volgende rapport de Ocean Heat Content veel prominenter zal opvoeren als maat voor opwarming dan wel afkoeling van de aarde. Een leuke testcase zal zijn of Ocean Heat Content de Summary for Policy Makers zal halen. Maar aangezien de trend op basis van het ARGO-netwerk nog altijd vlak is, vrees ik dat het IPCC eerder zal proberen zo min mogelijk aandacht hieraan te besteden.

0 0 stemmen
Artikel waardering