Samenvatting Biodiversiteitscrisis, Massa-uitsterven of massahysterie?

De snelste manier om wegwijs te worden in Rypke’s rapport Biodiversiteitscrisis, Massa-uitsterven of massahysterie? is de samenvatting, die hieronder integraal is weergegeven. Het rapport is te downloaden via de Stichting MW&B. Rypke heeft een blogbericht op climategate.nl staan.

 

Samenvatting

  • De term “biodiversiteit” is in korte tijd volledig ingeburgerd maar roept misverstanden op. In het algemene taalgebruik wordt hiermee het aantal voorkomende soorten bedoeld, de soortenrijkdom. Maar wetenschappers bedoelen zowel ‘soortenrijkdom’ als ‘populatietrends binnen die soorten’. Op die manier kan ook een afname van het aantal dieren binnen een soort als ‘verlies aan biodiversiteit’ gecommuniceerd worden.

Bij berichten over biodiversiteit gaat het meestal om trends in de populaties van de 76.000 planten- en diersoorten die beschreven staan in de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN). Dat zijn in totaal 4,2 procent van de bij de wetenschap bekende 1,8 miljoen soorten. Ruim 17.000 daarvan vallen in de categorie ‘bedreigd’ (0,8 procent van het totaal). Natuurbeschermers tonen daarbij niet verrassend een sterke voorkeur voor charismatische vogels en zoogdieren, een kleine 1 procent van de alle bekende soorten. Van 99 procent van de ‘bekende’ biodiversiteit bestaan vrijwel geen betrouwbare data over populaties en verspreiding.

  • De acties van Westerse natuurbeschermers voor het behoud van biodiversiteit zijn sterk gekleurd.

Mensen zijn nogal kieskeurig als het gaat om biodiversiteit. Er is een lange lijst van organismen waar we last van hebben. Op deze lijst staan ziekteverwekkers en plagen zoals muggen, teken, de bacterie die de ziekte van Lyme veroorzaakt, ratten, termieten, luizen, de leprabacterie en de malariaparasiet. Zelfs prachtige dieren als tijgers, wolven, beren en olifanten willen we liever niet in onze achtertuin.

  • Er stierven de afgelopen 500 jaar 0,05 procent van de door de wetenschap beschreven soorten uit. Van ‘massa-uitsterven’ – zoals bij het uitsterven van de dinosauriërs – is pas sprake als tenminste 75 procent van alle soorten uitsterven.

Sinds 1500 stierven 860 van de 1,8 miljoen door de wetenschap beschreven soorten uit, de meeste daarvan al voor 1900. Dat is 0,05 procent. Alleen van vogels, zoogdieren en vissen bestaan redelijk betrouwbare data over uitsterven, bijgehouden op twee lijsten, de Rode Lijst van de IUCN en de lijst van de Committee on Recently Extinct Organisms (CREO). Van vogels en zoogdieren stierf ongeveer 1 procent van de soorten uit na 1500. In dezelfde periode stierven naar schatting 60-80 soorten zoogdieren uit en 129 vogelsoorten. De snelst uitstervende soortgroep sinds 1500 is die van de slakken, waarvan er naar schatting 310 soorten uitgestorven zijn op een totaal van 6800 bekende soorten (4,6 procent).

  • Het uitsterven van soorten in de laatste 500 jaar vond niet mondiaal plaats, maar voor het overgrote deel (95 procent) op tropische eilandjes en in Australië, vooral door de introductie van exoten.

Deze afname van inheemse soorten wordt ruimschoots gecompenseerd door introductie van nieuwe soorten. Symbool voor dit door de mens (en zijn ‘gevolg’ in de vorm van ratten, varkens etc.) veroorzaakte uitsterven op geïsoleerde eilanden is de dodo geworden. Deze loopvogel leefde op Mauritius in de Indische Oceaan en stierf uit niet lang nadat Nederlandse ontdekkingsreizigers er voet aan wal hadden gezet. In Europa stierf sinds 1900 (mogelijk) slechts één zoogdiersoort uit, de Beierse woelmuis. Maar het is niet uitgesloten dat deze soort zich nog ergens ophoudt in een dal in Oostenrijk.

  • Het uitsterven van soorten door menselijk toedoen is geen modern fenomeen.

De komst van de Maori’s op Nieuw-Zeeland rond 1300 deed ongeveer 40 procent van de vogelsoorten de das om. Dat is veel meer dan de moderne mens waar ook ter wereld op zijn geweten heeft. Mede door menselijke overbejaging stierf in het late Kwartair (tussen 50.000 en 10.000 jaar geleden) 72 procent van de families aan megafauna (soorten zwaarder dan 40 kg) uit op het Noord-Amerikaanse continent, 83 procent op het Zuid-Amerikaanse continent, 35 procent in Europa en Azië, 88 procent in Australië en alleen Afrika bleef relatief gespaard met 21 procent.

  • Het Wereld Natuur Fonds claimt in het Living Planet Report 2014 ten onrechte dat de mondiale biodiversiteit sinds 1970 halveerde.

Bedoeld wordt namelijk dat de helft van de populaties vogels en zoogdieren in aantal afnam en dus niet dat soorten uitstierven. Het WNF verzwijgt in hun communicatie echter dat de andere helft van de gemeten populaties in aantal toenam of stabiel bleef. Het glas is dus halfleeg bij het WNF.

  • Beweringen dat soorten nu 10.000 maal sneller uitsterven dan ‘normaal’ zijn niet gebaseerd op metingen, maar op grove aannames en computerschattingen, waarbij men soorten laat uitsterven die misschien niet eens bestaan.

Zo schat de milieutak van de Verenigde Naties (UNEP) dat er dagelijks 150 tot 200 soorten op aarde uitsterven oftewel ruim 70.000 per jaar. Op basis van getallen van IUCN en CREO komen we zoals gezegd slechts tot 1,7 soorten per jaar. Waarbij het tempo van uitsterven voor 1900 bovendien hoger lag dan daarna. De UNEP zit met haar getallen een factor 30.000 tot 40.000 hoger.

  • De meest geciteerde studie naar de toekomstige effecten van de opwarming van de aarde op biodiversiteit geeft een zware overschatting van uitsterven. Het klimaatpanel IPCC baseert zijn claims over massa-uitsterven voornamelijk op deze studie.

De beroemdste en meest geciteerde klimaat-biodiversiteitstudie van Chris Thomas in Nature (2004) claimde dat een miljoen soorten zullen gaan uitsterven na 2050 als gevolg van de opwarming van de aarde, een kwart van de soorten op land. Ook het klimaatpanel IPCC leunde in haar vierde rapport in 2007 sterk op deze studie. De methode van Thomas is gebaseerd op foutieve rekenmethodes. Ook winkelde zijn team selectief in de data waardoor het uitsterven van soorten door opwarming flink werd opgeblazen.

  • Er stierf tot op heden geen enkele soort uit enkel en alleen door klimaatverandering.

Ook een van de meest gebruikte posterdieren van klimaatopwarming, de gouden pad, stierf niet uit door opwarming, maar door een combinatie van schimmelziekte en een droge periode. De ijsbeer nam dramatisch in aantal toe sinds begin jaren ’70 door een jachtbeperking in Arctische gebieden.

  • Alle moderne soorten overleefden al natuurlijke klimaatsprongen van zes graden en van hogere temperaturen dan het IPCC de komende eeuw verwacht.

De opwarming van bijna een graad in de afgelopen 1,5 eeuw is irrelevant voor natuurbescherming. Enige graden opwarming kan alleen tot uitsterven leiden in combinatie met andere factoren zoals habitatverlies en exoten.

 

Share

Biodiversiteitscrisis blijkt vals alarm

Collega en vriend Rypke Zeilmaker heeft het afgelopen half jaar hard gewerkt aan een rapport over de mondiale biodiversiteit op land. Opdrachtgever was de Stichting Milieu, Wetenschap & Beleid. De bescheiden financiering voor het rapport kwam tot stand via particuliere donaties. Ikzelf was nauw betrokken bij het rapport. Ik las en becommentarieerde verschillende conceptversies en deed de eindredactie (voor nog aanwezige taalfouten mag u mij dus aanspreken). Het rapport laat zien dat, in tegenstelling tot wat de meeste mensen zullen denken, er momenteel zeer weinig soorten uitsterven. De moderne mens heeft wel soorten over de kling gejaagd sinds 1500, maar dat gebeurde voor het overgrote deel op tropische eilanden (denk aan de beroemde dodo op Mauritius) en met name voor 1900. Hieronder volgt het persbericht. Het rapport van 55 pagina’s kun je hier downloaden.

 

Biodiversiteitscrisis blijkt vals alarm

Van massa-uitsterven absoluut geen sprake

DELFT, 6 februari 2015 – Het uitsterven van diersoorten in de moderne tijd vond voornamelijk plaats vóór 1900 en dan vooral op geïsoleerde tropische eilanden. Ook stierf tot nu toe geen enkele soort uit door de opwarming van de aarde. Die sobere feiten staan in schril contrast tot de doemverhalen die er over biodiversiteit de ronde doen.

Dat stelt het rapport Biodiversiteitscrisis, massa-uitsterven of massahysterie? dat natuur- en wetenschapsjournalist Rypke Zeilmaker schreef voor de Stichting Milieu, Wetenschap en Beleid. Het rapport baseert zich onder meer op de twee meest gebruikte lijsten voor plant- en diersoorten. Dat zijn de Rode Lijst van de World Conservation Union (IUCN) en de lijst van uitgestorven zoogdieren en vissen van de Committee On Recently Extinct Organisms (CREO).

Sinds 1500 stierven wereldwijd naar schatting 832 van de 1,8 miljoen door de wetenschap beschreven soorten uit, ofwel slechts 0,05 procent. Van de best gedocumenteerde soortgroepen, vogels en zoogdieren, stierf ongeveer 1 procent uit, voornamelijk door de introductie van exoten op tropische eilanden. Deze uitsterfpercentages blijven ver verwijderd van wat biologen definiëren als massa-uitsterven, waarbij maar liefst 75% van alle soorten uitsterft.

Volgens de milieutak van de Verenigde Naties, UNEP, en in haar kielzog tal van NGO’s, zou de moderne mens een massa-uitsterven veroorzaken, vergelijkbaar met de meteorietinslag in Mexico die 65 miljoen jaar geleden de dinosaurussen wegvaagde. UNEP claimt zelfs dat er dagelijks maar liefst 150 tot 200 soorten op aarde uitsterven. “Deze cijfers liggen een factor 30.000 tot 40.000 hoger dan daadwerkelijk is geteld. Ze zijn gebaseerd op grove aannames, waarbij duizenden soorten uitsterven die misschien niet eens bestaan,” zegt Zeilmaker.

Het Wereld Natuur Fonds claimt in haar Living Planet Report 2014 ten onrechte dat de mondiale biodiversiteit sinds 1970 halveerde. Bedoeld wordt namelijk dat de helft van de populaties vogels en zoogdieren in aantal afnam en dus niet dat soorten uitstierven. Het WNF verzwijgt in hun communicatie echter dat de andere helft van de gemeten populaties in aantal toenam of stabiel bleef. “Het glas is dus halfleeg bij het WNF”, aldus Zeilmaker.

Opwarming van de aarde
Het rapport stelt dat het uitsterven van soorten sinds 1500 voor het overgrote deel (95 procent) plaatsvond op tropische eilandjes en in Australië. Vooral de introductie van door de mens meegebrachte exoten (als ratten, huiskatten, varkens, slangen) veroorzaakte de extinctie op geïsoleerde eilanden, waarvan de dodo op Mauritius het bekendste voorbeeld is. Het uitsterven van soorten op die eilanden werd echter ruimschoots gecompenseerd door de introductie van nieuwe soorten.

Er stierf tot op heden geen enkele soort uit enkel en alleen door de opwarming van de aarde. Ook een van de meest gebruikte posterdieren van klimaatopwarming, de gouden pad (in Costa Rica), stierf niet uit door opwarming, maar door een combinatie van schimmelziekte en een droge periode. De ijsbeer nam spectaculair in aantal toe sinds landen rond de poolcirkel een jachtbeperking instelden in 1973.

De Stichting Milieu, Wetenschap en Beleid (MW&B) stimuleert met name kritische wetenschapsjournalistiek en objectieve wetenschapsbeoefening. Het rapportBiodiversiteitscrisis, Massa-uitsterven of massahysterie? is gefinancierd uit particuliere donaties.

Share

Bart Strengers verslaat Hans Labohm maar…

Bart Strengers van het PBL heeft een weddenschap gewonnen van Hans Labohm. Doorslag gaf het feit dat de periode 2010-2014 warmer was dan het decennium ervoor (2000-2009). Ik feliciteer Bart, onze uitstekende projectleider het afgelopen jaar van Climate Dialogue, bij deze hartelijk met zijn winst en bedank Hans voor zijn sportieve reactie, door Bart en enkele anderen (waaronder ikzelf) zelfs uit te nodigen voor een etentje op 5 februari in De Bilt. Opnieuw het bewijs dat sceptici en mainstreamers in Nederland op het persoonlijke vlak goed met elkaar overweg kunnen, ondanks dat we inhoudelijk vaak lijnrecht tegenover elkaar blijven staan. En zo hoort het ook te zijn, binnen de wetenschap mag men elkaar op het scherpst van de snede bestrijden.

Strengers plaatste naar aanleiding van de weddenschap een heel dossier op de website van het PBL waarin hij terugblikt op de weddenschap. Al die stukken zijn de moeite van het lezen meer dan waard. Ik moest echter heel hard grinniken bij de volgende opmerking en achterliggende uitleg. Eerst de opmerking, die zeer cryptisch is opgeschreven en waar de lezer eventjes op mag kauwen:

De kans dat de klimaatgevoeligheid overschat wordt is kleiner dan dat hij onderschat wordt.

Lees verder…

Share

Klimaat, Parijs, KNMI-scenario’s, mest, voeding

De afgelopen jaren heb ik met veel plezier geschreven en gepraat over het klimaatdebat. En wees gerust (of ongerust), ik zal dat ook in de toekomst blijven doen. Toch zal 2015 in het teken staan van enige verbreding van mijn aandachtsvelden. Hieronder een overzicht van mijn plannen.

Boek(je) klimaatbeleid in aanloop naar Parijs
Dit jaar staat in het teken van de belangrijke klimaatconferentie in Parijs. Alle ogen zijn – net als in 2009 in Kopenhagen – gericht op de wereldleiders om een nieuw klimaatakkoord te sluiten. Dit nieuwe klimaatverdrag, de opvolger van het Kyoto-protocol, moet er dan voor zorgen dat de opwarming van de aarde binnen de 2 graden blijft (ten opzichte van pre-industrieel). In het laatste hoofdstuk van mijn boek De staat van het klimaat heb ik al uitgelegd waarom het huidige klimaatbeleid niet echt succesvol is. Dit jaar wil ik een boek(je) schrijven over klimaatbeleid. Ik hoop het voor de klimaatconferentie af te hebben zodat het hopelijk een steentje kan bijdragen aan het publieke debat in Nederland (en wellicht Vlaanderen). Ik wil in het boek enerzijds laten zien waarom klimaatbeleid tot nu toe niet gewerkt heeft en zich veel te veel heeft blindgestaard op de rol van CO2. Anderzijds wil ik uiteenzetten wat rationeel klimaatbeleid kan zijn bij een klimaatgevoeligheid van rond de 1,5 graden Celsius. In dat opzicht borduur ik voort op het rapport dat Lewis en ik vorig jaar publiceerden. Het publiceren van dit boek(je) is mijn belangrijkste doel van het jaar.
Lees verder…

Share

Meteoriet, kikker, koorts en kanker

Vraag: Wat hebben meteorieten, kikkers, koorts en kanker met elkaar gemeen?
Antwoord: Ze worden alle vier wel gebruikt als metafoor om de urgentie van het klimaatprobleem aan te duiden.

Marcel van Dam trapt vanavond de uitzending van De Achterkant van het Gelijk over klimaatverandering af met de volgende vergelijking: Stel dat wetenschappers erachter komen dat een grote meteoriet over twee jaar waarschijnlijk gaat inslaan op aarde. 95% van de wetenschappers is het erover eens dat de meteoriet de aarde zal raken, 5% denkt echter dat ‘ie rakelings langs de aarde zal scheren. De vraag aan de tafelgasten: lukt het de wereldleiders om snel overeenstemming te bereiken over maatregelen?

Als ik me goed herinner (ik was vorige week bij de opnamen, maar het geluid was niet altijd even duidelijk) waren de antwoorden niet uitgesproken ja of nee. Mijn antwoord zou zijn geweest: Ja!

Dit scenario en de urgente risico’s die eraan verbonden zijn staan echter in geen verhouding tot de mogelijke dreiging die er van klimaatverandering uitgaat. Die verandering is veel langzamer (een sluipmoordenaar? Nog een leuke metafoor) en wordt daardoor door velen niet als urgent gevoeld, iets wat Ed Nijpels (de man die het energie-akkoord moet uitvoeren) in de uitzending een aantal maal benadrukte. En Jeroen van der Veer (ex-topman Shell) bracht de metafoor in van de kikker die onmiddellijk uit water van 100 graden zal springen, maar rustig blijft zitten als het water geleidelijk opwarmt (een metafoor die wel vrij goed weergeeft hoe de wereld reageert op de opwarming van de aarde):

Hoe urgent is klimaatverandering?
Sommigen mensen beschouwen de hogere IPCC-scenario’s (vier graden opwarming deze eeuw) uiteraard als urgent. Ikzelf zou dat ook doen als ik de 4 graden in 2100 serieus nam. Drie graden in een eeuw is fors en zal zeker onvoorziene gevolgen hebben.

Anderen, zoals ik zelf, zien echter nog te weinig bewijs voor een dramatische opwarming in de komende eeuw en gaan uit van milde opwarming waaraan de mensheid en ook de natuur zich vrij makkelijk zal kunnen aanpassen. De opwarming sinds 1850 is een milde 0,8 graden en een versnelling daarvan is in geen velden of wegen te zien. Zoals bekend is er de afgelopen 15-20 jaar een vertraging. De troposfeer is met uitzondering van een sprong in 1976 nauwelijks opgewarmd.

Hoe dan ook, ik vond de gekozen metafoor een slecht begin om de ethische kant van het klimaatdebat te belichten (=doel van het programma).

Ik zelf gebruik de meteoriet wel eens als tegenvoorbeeld voor diegenen die zich erg op de worst case scenario’s voor klimaat baseren. We hebben de meeste meteorieten die in de buurt van de aarde kunnen komen namelijk goed in kaart gebracht en er is weinig reden voor alarm. Kleinere brokstukken van 50 tot 100 meter grootte kunnen we echter minder goed zien en het is mogelijk dat zo’n brokstuk de aarde zou raken. Valt zo’n brokstuk op Parijs of New York of in de oceaan, dan is de ramp niet te overzien. De vraag is nu: hoeveel zijn we bereid als wereldgemeenschap om dit risico verder in kaart te brengen en hoeveel geld zijn we bereid te steken in het detecteren en eventueel onschadelijk maken (als dat mogelijk is) van dergelijke kleiner meteorieten?

Kanker of koorts?
Een derde metafoor die geregeld gebruikt wordt is dat de aarde koorts heeft of kanker. De dit jaar overleden Wubbo Ockels gebruikte de metafoor in 2013 in zijn Springtij-lezing. Ik citeer een stukje:

Het derde perspectief is wat lastiger en ik hoop dat ik daar goed uitkom, want het is een beetje emotioneel. En dat is namelijk dat ik denk dat de aarde en wat er aan de hand is, het best vergeleken kan worden met kanker. De aarde heeft kanker. Als je de fundamentele eigenschappen van kanker neemt, dan zie je dat dat nu gebeurt. Kanker is een gewone cel van je eigen lichaam. Mensen zijn gewone mensen. Maar op een of andere manier gaat die kanker groeien op een manier, dat hij een truc heeft gevonden om niet dood te gaan terwijl hij eigenlijk dood hoort te gaan.

Op zichzelf een mooie vergelijking. Je kunt immers best stellen dat de mens als soort is gaan woekeren en andere soorten is gaan overwoekeren.

Weer anderen zeggen dat de aarde koorts heeft. Jan Paul van Soest publiceerde een boek met die titel en ook internationaal wordt de vergelijking veel gebruikt. Het voordeel van koorts is dat je meteen een associatie met opwarming hebt. Het nadeel van koorts als vergelijking is mensen – veel meer dan de aarde als geheel – binnen een nauwe bandbreedte moeten blijven rond 37 graden Celsius. Zowel te koud als te warm is ons snel fataal. De aarde heeft al heel wat extreem warme en extreem koude periodes doorstaan en bestaat nog steeds.

Wel zou een interessante vraag kunnen zijn hoeveel verhoging vindt je dat de aarde heeft in termen van koorts? Ik zou dan kunnen zeggen: 37,8. Lichte verhoging dus, maar mijn kinderen mochten ermee naar de crèche. Anderen vinden mogelijk dat het nu al een 39 of 40 graden koorts is.

Dat geeft dan vervolgens wel een opening naar wat volgens mij de meest relevante vraag van de uitzending had moeten zijn (maar het dus niet was). Namelijk, wat is op dit moment de gewenste behandeling voor de patiënt: gewoon uitzieken (laissez faire) of een chemokuur (zo snel mogelijk decarbonisatie van de economie)? Merk op dat sommige aanwezigen, zoals Marjan Minnesma, het ongetwijfeld met deze typering al niet eens is. Volgens haar kunnen we tegen geringe kosten in 2030 draaien op 100% duurzame energie.

Andere relevante vragen: hoeveel ben je bereid te betalen voor die “behandeling”? En moet die behandeling meteen beginnen of kijken we het eerst nog even aan?

Kortom, zoals bijna altijd bij dit soort complexe debatten, veel gemiste kansen. Maar toch een uitzending die je zeker moet gaan kijken, al is het maar vanwege de vele interessante gasten die aan tafel zaten: Deltacommissaris Wim Kuiken, Marjan Minnesma, Appy Sluijs (ja, alweer hij), Jean-Pascal van Ypersele, Herman Philipse, Jeroen van der Veer, Lucia van Geuns en Ed Nijpels.

Kijken dus, zo meteen om 20:25 uur op NPO2.

 

 

 

 

Share

Dijkstra II: Nederland wel warmer, niet extremer

Iedereen dank voor de interessante discussie onder het doorgeplaatste opiniestuk van Frans Dijkstra. Frans heeft in zijn laatste commentaar geprobeerd een eerste samenvatting te schrijven. Aangezien de vorige draad erg lang werd plaats ik dat commentaar hier als gastblog. Het is goed mogelijk dat critici van Dijkstra (Arjan, Guido, Jan etc.) het oneens zijn met de samenvatting. Mocht een van de “critici” ook een soort van samenvatting schrijven dan plaats ik die ook als apart gastblog. MC

Gastblog Frans Dijkstra

Ik doe een poging een paar dingen te inventariseren waar we het over eens zijn.

(1) Er is over de periode 1997-2014 geen correlatie tussen de gemiddelde maandtemperatuur en de tijd. Ik noem dat stilstand of stagnatie. Ik weet niet of ik de eerste ben in Nederland die dit signaleert. Als er in deze data een trend van plus of min 0,003 graad per maand zou zitten, dan zou dat nog net niet significant zijn. Dat betekent naar de toekomst toe, dat in 100 jaar een daling of een stijging van bijna 4 graden niet is uitgesloten. Dat is waar, maar wie zou zo’n reeks voor 100 jaar willen extrapoleren? Degenen die zeggen dat de opwarming onverminderd door gaat, kunnen dat niet zeggen op grond van deze data. Deze data zeggen uitsluitend: het kan vriezen of dooien. Zijn we het daarover eens?

Arjan van Beelen
De termijn is te kort en de spreiding is te groot om iets zinvols te kunnen concluderen over de temperatuurtrend. Als je iets schuift met het beginpunt, of een jaar toevoegt of weglaat dan krijg je weer andere resultaten. In een dataset met een grote variabiliteit ten opzichte van de trend kan je nooit aantonen of het nu nog wel of niet opwarmt de laatste jaren, dus dit is een zinloze bezigheid.

 

Guido van der Werf
dat de temperatuur vrij vlak is de laatste jaren daar zijn we het snel over eens. En dat extrapoleren van deze trend zinloos is daar zijn we het ook over eens. Maar ik ben het niet met je “het kan vriezen of dooien” eens. Misschien wel voor de komende jaren maar op een gegeven moment zal de trend door opwarming weer boven de ruis uit moeten komen.

 

Jan van Rongen
Statistisch foute conclusie; door Frans gemotiveerd met een zeer bekende logische fout, namelijk omkering van de (betekenis van de) nul-hypothese.

(2) Over de hoge oktobertemperaturen is mij cherry picking verweten omdat ik het over 23 graden had. Dat was toevallig de temperatuur van 18 oktober j.l. Keulemans zet daar zijn eigen cherry picking tegenover door een grafiek met 20 graden te tekenen. Tijd voor het volledige plaatje:

Volgens mij hebben Keulemans en ik allebei gelijk: warme dagen (meer dan 20 of 21 graden) zijn in de tweede helft van de periode flink toegenomen, maar vanaf 22 graden convergeren de lijnen. Vanaf 23 graden vallen ze vrijwel samen. Ik noem 23 graden in oktober ‘extreem’. Men kan van mening verschillen of een temperatuur die op 1,5% van de oktoberdagen voorkwam zo genoemd mag worden. Het is in ieder geval extremer dan de 3-6% van de oktoberdagen die warmer waren dan 20 graden.

Arjan van Beelen
Ik zie verschillen, maar ik zie niet of ze significant zijn. De eerste waarden bijv. >20 graden in ieder geval wel, dus je kan concluderen dat dat vaker voorkomt. Ik denk niet dat je kan aantonen dat records >23 C in Oktober vaker voorkomen in de 2e periode dan in de 1e periode.

 

Guido van der Werf
Ik heb in het vorige draadje diverse keren kwantitatief laten zien dat in het algemeen het aantal warme dagen is toegenomen, dus ik vind het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd vooral representatief voor het aantal keren dat het in oktober 23 graden werd. En tja, wat extreem is daar kan je over twisten dus daar heeft iedereen gelijk.

 

Jan van Rongen
Anekdotisch “bewijs” dat kan worden omgevormd tot serieuzere testen waaruit de hoogte en (mate van) significantie van de opwarming voor en na 1957 kan worden afgeleid.

(3) We blijken het er over eens te zijn, dat voor 1950 ook veel tropische dagen zijn voorgekomen, verhoudingsgewijs niet veel minder dan na 1950. Dat kan misschien aan vliegtuigsporen worden toegeschreven: straalvliegtuigen waren er in de jaren 30 en 40 nog niet. Die sporen zouden op hete dagen de zonnestralen getemperd kunnen hebben. Maar misschien hebben ook hier de stromingspatronen invloed. Vliegtuigsporen kunnen niet het enorme gebrek aan tropische dagen in de jaren 50 en 60 verklaren. Een interessant punt voor nader onderzoek!

Arjan van Beelen
Ja, je kan niet aantonen dat het aantal tropische dagen toegenomen is als je deze 2 perioden hanteert. Als je tropische dagen (of warmer) als extreme hitte definieert dan kan je dus niet zeggen dat dit nu vaker voorkomt dan vroeger. Dit is een interessant (en bekend) resultaat, en heeft waarschijnlijk te maken met 1) aerosols (inclusief vliegtuigstrepen, de aerosol concentratie piekte in de jaren 60-70, en kan dus prima het minimum in 50-60er jaren verklaren (ik denk met contributie van stromingspatroon overigens, zie studies van Van Oldenborgh). 2) thermometerhutten en locatie 3) stromingspatroon? 4)bodemvocht? (nummering kan willekeurig zijn). Overigens is de verstedelijking toegenomen, dus aan de hand daarvan verwacht je weer een toename van het (niet daarvoor gecorrigeerde) aantal tropische dagen.

 

Guido van der Werf
Mee eens, er zijn veel factoren die een rol spelen, ik neem aan dat men op het KNMI hier ook wel mee bezig is. Ik ken de literatuur op dit gebied niet.

 

Jan van Rongen
Dit is geen samenvatting van een discussie maar iets nieuws – over vliegtuigsporen. Ik vind dat onzin. Dus oneens.

(4) Over de winters zijn we het ook eens. Natuurlijk waren er voor 1970 meer strenge winters (1912, 1917, 1929, 1933, 1940, 1941, 1942, 1943, 1947, 1956 in de eerste helft van de periode en 1963, 1979, 1985, 1986, 1987, 1996, 1997 in de tweede helft) terwijl tevens de winters van de eerste serie strenger waren en langer duurden dan de meeste van de tweede serie. Met mijn wintergeheugen is op dit punt niets mis, maar die ene extreem zachte winter van 2014 is niet maatgevend, dat wilde ik even gezegd hebben.

Extreem hoge temperaturen in de winter zijn veel meerzeggend dan hoge zomertemperaturen: van de januaridagen boven 13 graden viel er maar 1 in de eerste helft van de periode, tegen 17 in de tweede helft. Het record is zeer recent: 14,5 op 6 januari 2014.
Ik neig naar de conclusie uit deze en andere feiten dat de opwarming in Nederland tot dusver vooral blijkt uit hogere winter- en nachttemperaturen en veel minder in extreme warmte, die het KNMI in zijn scenario’s aankondigt, en waar exotische dieren op af zouden komen. Dat komt waarschijnlijk van het broeikaseffect (minder uitstraling) en van westelijke winden. Kunnen we het hier ook over eens zijn?

Arjan van Beelen
Die ene extreem zachte winter… ik kan me helaas erg veel extreem zachte winters herinneren in de jaren 90 en 2000, dit heb ik ook laten zien aan de hand van de ranking van de gemiddelde wintertemperatuur en de koudeproductie (Hellmann, maar geldt ook voor het vorstgetal van Meteogroup). Die zachte winters zijn overigens geen garantie voor de (nabije) toekomst, zoals ik al eerder schreef.
Nee, hier ben ik het helemaal niet mee eens. De enorme (recente) opwarming in NL blijkt vooral uit hogere lente en zomertemperaturen en minder uit die in de herfst en winter. De maand december is het minste opgewarmd van alle maanden. Zie bijv. http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0226-Temperatuur-mondiaal-en-in-Nederland.html?i=9-54 .
De winter en nachttemperaturen zijn gedurende de periode 1985-2010 met ongeveer dezelfde trend gestegen als wereldwijd, terwijl die overdag in het (zonne)zomer halfjaar bijna 2x zo snel zijn gestegen. Dit heeft o.a. te maken met de brightening, zoals je ook kunt zien in ons (Van Beelen & Van Delden) artikel in Weather.

 

Guido van der Werf
Ook mee eens en ook nog eens goed nieuws tot nu toe voor ons in Nederland lijkt me (behalve voor de schaatsliefhebbers natuurlijk). Maar uiteindelijk zal bij opwarming ook het aantal warme dagen verder toenemen, ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat dit niet zo is. En ik heb wel eens gehoord dat minimumtemperaturen een belangrijkere factor is dan maximumtemperaturen voor het verspreidingsgebied van exotische dieren ☺

 

Jan van Rongen
Ook dit is helemaal geen samenvatting of conclusie maar een nieuwe mening van Frans. Geen cijfermateriaal. Dus oneens.

 

Share

Warm oktoberweer, maar geen opwarming

Chemicus en statisticus Frans Dijkstra publiceerde gisteren in de Volkskrant een opiniestuk naar aanleiding van het warme weekend. De kop in de krant was dezelfde als boven dit blogbericht. Die kop is overigens bedacht door de Volkskrant, niet door Dijkstra, liet hij me weten. Online staat er trouwens een andere kop: Het publieke weergeheugen werkt misleidend.

Op twitter reageerde Stephan Okhuijsen van Sargasso.nl vrij gepikeerd en hij plaatste al snel een kritische beschouwing die als titel had: Liegen met grafieken: geen opwarming in de Volkskrant.

Frans Dijkstra gaf me toestemming om zijn stuk door te plaatsen. Daaronder probeer ik iets weer te geven van de discussie. En hopelijk kan een constructieve discussie tussen Dijkstra, Okhuijsen en andere geïnteresseerden meer duidelijk scheppen over welke “correcte” conclusies nu te trekken zijn.  Lees verder…

Share

IPCC bias in action

The AR5 Synthesis Report has been published with all the usual rhetorics such as that we have only so much years left to act. Readers here know that my interest with regard to AR5 has been climate sensitivity. So let’s just shortly review what happened in the field of climate sensitivity between the Synthesis Report (SYR) of AR4 (2007) and that of AR5 (2014). Let’s focus on the SPM because this is what is supposed to be the most policy relevant information.

The SYR SPM of AR4 mentions “climate sensitivity” seven times:

For GHG emissions scenarios that lead to stabilisation at levels comparable to SRES B1 and A1B by 2100 (600 and 850 ppm CO2-eq; category IV and V), assessed models project that about 65 to 70% of the estimated global equilibrium temperature increase, assuming a climate sensitivity of 3°C, would be realised at the time of stabilisation. [Figure SPM.8 on page 12]

The timing and level of mitigation to reach a given temperature stabilisation level is earlier and more stringent if climate sensitivity is high than if it is low. [page 20]

Global average temperature increase above pre-industrial at equilibrium, using ‘best estimate’ climate sensitivity [Table SPM.6 on page 20]

The best estimate of climate sensitivity is 3°C. [note d of table SPM.6 on page 20]

Equilibrium sea level rise is for the contribution from ocean thermal expansion only and does not reach equilibrium for at least many centuries. These values have been estimated using relatively simple climate models (one low-resolution AOGCM and several EMICs based on the best estimate of 3°C climate sensitivity) and do not include contributions from melting ice sheets, glaciers and ice caps. [note f of table SPM.6 on page 20]

The right-hand panel shows ranges of global average temperature change above pre-industrial, using (i) ‘best estimate’ climate sensitivity of 3°C (black line in middle of shaded area), (ii) upper bound of likely range of climate sensitivity of 4.5°C (red line at top of shaded area) (iii) lower bound of likely range of climate sensitivity of 2°C (blue line at bottom of shaded area). [Caption of figure SPM.11 on page 21]

Impacts of climate change are very likely to impose net annual costs, which will increase over time as global temperatures increase. Peer-reviewed estimates of the social cost of carbon23 in 2005 average US$12 per tonne of CO2, but the range from 100 estimates is large (-$3 to $95/tCO2). This is due in large part to differences in assumptions regarding climate sensitivity, response lags, the treatment of risk and equity, economic and non-economic impacts, the inclusion of potentially catastrophic losses and discount rates. [page 22]

Climate sensitivity is a key uncertainty for mitigation scenarios for specific temperature levels. [page 22]

Summarised: climate sensitivity and its uncertainties is highly relevant for the amount of future warming. The best estimate for climate sensitivity is 3°C, the lower bound is 2°C and the upper bound is 4.5°C.

The full AR4 Synthesis report mentions climate sensitivity 13 times. It for example said:

Progress since the TAR enables an assessment that climate sensitivity is likely to be in the range of 2 to 4.5°C with a best estimate of about 3°C, and is very unlikely to be less than 1.5°C.

 

Zero
Now straigth to the AR5 Synthesis Report SPM. It mentions this highly relevant parameter (according to AR4) … zero times! Not a word about it. The full Synthesis report does mention it four times. For example on page SYR-23 we read:

Climate system properties that determine the response to external forcing have been estimated both from climate models and from analysis of past and recent climate change. The equilibrium climate sensitivity (ECS) is likely in the range 1.5 °C–4.5 °C, extremely unlikely less than 1 °C, and very unlikely greater than 6 °C.

Now what has happened in the past seven years that climate sensitivity disappeared from the SPM of the Synthesis Report? Has it become irrelevant? Of course not. Climate sensitivity is all over the Synthesis Report because the models used to project the future climate have a climate sensitivity of about 3.5°C on average. So in all its projections IPCC assumes climate sensitivity is still >3°C. It’s there as some sort of hidden assumption.

Why not say so then? Well, exactly this assumption, that the model climate sensitivity is about 3.5°C, has been seriously challenged in the past few years in the scientific literature. The Lewis/Crok report A Sensitive Matter (published in March of this year) gave all the details about new observationally based studies that indicate the climate sensitivity is relatively low with best estimate values of between 1.5 and 2°C. Considerably lower than the 3.5°C climate sensitivity of the models.

Dilemma
Recently Lewis and Curry used all the relevant AR5 numbers and a very detailed uncertainty analysis to estimate the range and best estimate for climate sensitivity in a paper published in Climate Dynamics. Their preferred likely range is 1.25-2.45°C and the best estimate is 1.64°C. Again, these are not numbers invented by skeptics, those are the numbers of the IPCC itself. It assumes close to 100% of the warming since 1850 is due to humans, an assumption that goes much further than the iconic “it’s now extremely likely that most of the warmings since 1950 is due to humans” statement in AR5.

Now this specific paper of course came out after the IPCC deadline for the Synthesis Report. However as we document in the Lewis/Crok report, the IPCC was well aware of these recently published lower estimates of climate sensitivity. It lowered its lower boundary from 2°C back to 1.5°C (where it has been in most earlier IPCC reports).

The IPCC was saddled with a dilemma. A lot of conclusions in the report are based on the output of models and admitting that the models’ climate sensitivity is about 40% too high was apparently too…inconvenient. So IPCC decided not to mention climate sensitivity anymore in the SPM of the Synthesis Report. It decided to give the world a prognosis which it knows is overly pessimistic. One may wonder why. Did it want to hide the good news?

Share

Climate Dialogue about the sun

Over at Climate Dialogue we are starting a new discussion about the influence of the sun on the climate. People familiar with climate discussions know that the sun has been and still is a popular argument against the large role for greenhouse gases. This has to do with solar proxies correlating well with climate proxies (in the distant past). Also the Little Ice Age coincided with the Maunder Minimum, a period with few visible sunspots. So if the sun played a role in the past, why shouldn’t it in the present?

But figuring out how the sun has varied in e.g. the past millennium isn’t easy. And in fact, the science seems to be developing in the other direction, i.e. showing an even smaller solar influence than scientists thought let’s say a decade ago. AR5 said that in terms of radiative forcing since 1750 the influence of the sun is almost negligible.

Meanwhile solar activity has dropped to levels last seen a century ago. Some scientists suggest the sun might go into a new Maunder Minimum in the coming decades. What influence will that have on our climate?

So the timing of this dialogue is apt. We have a record number of participants, namely five. Two of them – Nicola Scafetta (USA) and Jan-Erik Solheim (NOR) – believe in a large role of the sun. Mike Lockwood (GBR) – in line with AR5 – thinks the sun is only a minor player. The two other participants – Ilya Usoskin (FIN) and José Vaquero (ESP) – seem somewhere in between.

In our Introduction we asked the participants the following questions:

1) What is according to you the “best” solar reconstruction since 1600 (or even 1000) in terms of Total Solar Irradiance?

2) Was there a Grand Solar Maximum in the 20th century?

3) What is your preferred temperature reconstruction for the same period? How much colder was the Little Ice Age than the current warm period?

4) What is the evidence for a correlation between global temperature and solar activity?

5) How much of the warming since pre-industrial would you attribute to the sun?

6) Is the Total Solar Irradiance (TSI) of the sun all that matters for the Earth’s climate? If not, what amplification processes are important and what is the evidence these play a role?

7) what is the sun likely going to do in the next few decades and what influence will it have on the climate? Is there consensus on the predictability of solar variability?

There will be a lot of area to cover. Please head over to the dialogue and feel free to leave a public comment. Keep in mind that the goal of Climate Dialogues is to find out on what participants agree, on what they disagree and why they disagree.

 

Share

Interview bij Weg met MVO

Ik was enigszins verrast toen ik enkele maanden geleden benaderd werd door de journalisten Ruben Koerhuis en Petra Pronk van de website Weg met MVO. Zij wilden mij interviewen. Een blik op hun site laat zien dat tot nu toe vooral bekende namen uit de Trouw Duurzame 100 zijn geïnterviewd, zoals Marjan Minnesma, Jan Rotmans, Jan Peter Balkenende, Sylvia Borren (van Greenpeace). Maar ook Niek Jan van Kesteren (directeur VNO-NCW) en Wiebe Draijer van de SER.

De titel van hun site is verwarrend. Zij bedoelen ermee dat Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen zo vanzelfsprekend wordt dat de term overbodig wordt. Vandaar het “weg met”. MVO gaat om meer dan alleen CO2 uiteraard maar uit de andere interviews blijkt dat CO2 wel een belangrijke rol speelt op dit moment. Zij gaven aan dat ze ook andere visies wilden laten horen en ik stemde derhalve in met het interview. De opnames waren tamelijk imponerend, met vier, vijf camera’s om me heen in een geblindeerde ruimte.

Hopelijk kan het interview bijdragen aan het maatschappelijk debat over klimaat, energie en MVO. Ik dank Petra en Ruben voor de tijd en moeite die ze erin gestoken hebben.

Share

Agenda

Loading...

Donate to support investigative journalism on global warming

My blog list